Senaat VS legt politiek geld aan banden

De Amerikaanse Senaat pakt onder leiding van John McCain het systeem van campagenfinanciering aan. Maar kunnen de koorden met het bedrijfsleven echt doorgesneden worden?

Het probleem is even Amerikaans als de aanpak. Te veel geld wordt door sommigen als een kwaal beschouwd. Anderen zien er een bewijs van gezonde zakelijkheid in. De Amerikaanse politiek onderneemt een heroïsche poging te minderen, al weten alle betrokkenen dat iedere wet mazen kent.

De extra moeilijkheid van het onderwerp is dat Congres-leden bij iedere wet op de campagnefinanciering, zoals nu die van McCain en Feingold, behalve over principes ook stemmen over hun eigen herverkiezing. Een gemiddelde Senaatscampagne kost al snel 4 miljoen dollar (11 miljoen gulden); een Huiszetel is goedkoper: 700.000 dollar (1,7 miljoen gulden).

Alleen de serieus rijken kunnen hun eigen campagne bekostigen. Minder gefortuneerde tegenstanders zijn in het nadeel. Tenzij zij het geld van buiten weten aan te trekken. Bedrijven, vakbonden en ideologisch gedreven rijken buiten de politieke arena willen maar al te graag de kas spekken van iedere kandidaat die zich later hun opvattingen weet te herinneren.

Wie de eerste beleidsdaden van de nieuwe regering-Bush overziet kan de gehanteerde prioriteiten ontcijferen door naar de grootste contribuanten te kijken. Hele bedrijfstakken stonden massaal paraat toen George W. Bush zijn campagne lanceerde: de credit card-industrie, de energie-industrie, de luchtvaart-bedrijven, defensie-industrie, tabak en farmaceutica niet te vergeten. Onder Clinton was het niet dramatisch anders, alleen verschilden de sponsors die werden gehonoreerd.

Het probleem van de financiële koorden waarmee Amerika's politici vast zitten aan speciale belangen is niet nieuw. Na het Watergate-schandaal, dat de Republikeinse president Nixon het politieke hoofd kostte, waren het Congres en de invaller-president Gerald Ford voldoende geschokt om een ingrijpende wet aan te nemen die de uitwassen van politieke financiering aanpakte.

De wet van 1974 werd door het Supreme Court in '76 ongrondwettig verklaard in het Buckley vs. Valeo-arrest. Het centrale, ook nu weer veel gehoorde argument was dat iedere beperking van het geld dat een kandidaat mag uitgeven een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van meningsuiting betekent. Dat vermogenden zich een grotere stem kopen dan armere medeburgers wordt door deze grondwets-adepten niet tegengesproken.

Het onderwerp is sindsdien nooit lang van de politieke agenda af geweest. President Bush I, de vader van de huidige president, sprak in 1992 zijn veto uit over wetgeving die de stroom politiek gemotiveerde dollars aan banden wilde leggen. In '94 bereikten de Senaat en het Huis een compromis-wet, die president Clinton bereid was te tekenen. Republikeinen in de Senaat lanceerden een filibuster tegen de wet: hij werd doodgepraat.

Dat lot was ook alle eerdere pogingen van de senatoren McCain (Republikein, Arizona) en Feingold (Democraat, Wisconsin) beschoren. Intussen namen de bedragen die in `soft money' binnenkamen bij de partijen bij iedere verkiezingscampagne toe. President Clinton voerde in '96 de werving van `soft money' tot recordhoogte op. De Republikeinen waren van oudsher beter in het werven van `hard money', wel gereguleerd geld dat door bedrijven en burgers aan kandidaten en partijen wordt geschonken; zij hebben nu eenmaal een meer vermogende achterban.

George W. Bush besloot in 1999 af te zien van federale miljoenen. Daardoor was hij niet gebonden aan de uitgavenlimiet uit de niet-gesneuvelde Watergate-wetgeving. Hij haalde in verbluffend korte tijd 100 miljoen aan reguliere bijdragen dollar op, aangevuld met nog meer `soft money', 500 miljoen voor beide partijen samen. John McCains presidentiële campagne tegen deze lawine van geld en machtszucht liep vooral stuk op de grotere financiële slagkracht van Bush.

Het klimaat werd desondanks rijp voor maatregelen. Vijf anti-McCain Republikeinen in de Senaat verloren hun zetels. Samen met de Democratische fractievoorzitter Tom Daschle, die zijn 50 zetels in de Senaat (100 zetels) knap bij elkaar wist te houden, slaagden McCain en Feingold er gisteren eindelijk in de overwinning te halen die hen zo lang was ontsnapt.

Hun stok achter de deur was geweest dat zij nu de 60 zetels hadden om een filibuster af te kappen. De 59 van gisteren maakten dat net niet waar, laat staan dat zij de 67 hebben die nodig zijn om een presidentieel veto te kunnen trotseren. Volgens John McCain is de wet van vitaal belang om het vertrouwen van het Amerikaanse volk in hun eigen democratie te herstellen.

De belangrijkste tegenstander van de wet, senator Mitch McConnell, ook een Republikein, heeft gedreigd naar het Supreme Court te stappen, een bekend hulpadres voor conservatieve Republikeinen. Het is de vraag of president Bush hem daarin zal steunen. De tekenen des tijds suggereren dat er wel iets moet gebeuren. Voorlopig is het woord aan het Huis van Afgevaardigden, dat nog geen datum heeft vastgesteld voor behandeling van de nu in de Senaat aanvaarde tekst.