Kritische provo

Provo was een club van burgerjongens met een enkele arbeidersjongen in de gelederen. Vrijdag is een van die enkelingen overleden: Rob Stolk, een arbeidersjongen maar vooral een aardige jongen. Als hij ouder was geweest, zou hij bij de schrijver Nescio zijn opgedoken.

Rob Stolk werd in oktober 1965 in het hele land bekend toen hij zijn vriendin Sara Duys op de stang van een witte fiets naar het Amsterdamse stadhuis reed waar ze gingen trouwen. Stolk en Duys zouden tot het einde samenblijven. Het verantwoorde jeugdblad KrisKras, kortstondig alternatief voor Donald Duck, plaatste de foto van dit `witte huwelijk' voorop. Een half jaar later kreeg Stolk internationaal naam als een van de provo's die aan de vooravond van Het Huwelijk met kaliumchloraat hadden geknutseld. Dé rookbom was het resultaat.

Zijn weerzin tegen de ,,misselijk makende middenstand'' kwam niet uit de lucht vallen. Stolk was geboren en getogen in een politiek nest in Zaandam. Zijn vader was magazijnbediende. Zijn moeder had gehuild bij de oprichting van de PSP, een partij die radicaal was maar niet communistisch. Amper zestien jaar werd Stolk voor het eerst gearresteerd: wegens het plakken van affiches tegen de oorlog die NAVO-bondgenoot Portugal in Angola voerde. Er zouden nog twintig arrestaties volgen. Het uitdelen van krenten werd in die jaren al gezien als ordeverstoring, zoals Koosje Koster ervoer.

Nadat de politie in 1963 een naar latere maatstaven `ludieke' demonstratie tegen de NAVO-taptoe in het Olympisch Stadion uit elkaar had geslagen, was het hek van de dam geraakt. Geïnspireerd door de `happenings' van Robert Jasper Grootveld tegen de `kanker' van de sigarettenindustrie, werd Stolk een Provo. Zijn kracht was zijn typografisch talent. Stolk liet de zeefdrukpers draaien voor krantjes, posters en `practical jokes' als De Teleraaf. Hij zou er zijn beroep van maken. Zijn drukkerij werd een van de beste van Amsterdam.

Het hoogtepunt van Provo betekende tevens het einde. Toen Bernard de Vries in 1966 in de gemeenteraad werd gekozen, was het met de beweging gedaan. Stolk was in 1967 een van de krachten achter de zelfontbranding. ,,Een heel vervelend clubje mensen. In ideologie stelde het eigenlijk heel weinig voor'', aldus Stolk in 1991 in een interview met Geert Mak in het Algemeen Handelsblad, zoals hij deze krant bleef noemen. In 1969 stond hij weliswaar aan de wieg van de kraakbeweging, maar aan het quasi-revolutionaire geweld waarmee sommigen koketteerden, had hij een broertje dood. Zeker toen zijn huis in de Quellijnstraat ontplofte, mogelijk omdat een buurman van de Rode Jeugd met chemicaliën in de weer was.

Stolk had geen last van overspannen eigendunk, waaraan generatiegenoten uit '68 soms juist lijden. Medio jaren tachtig was ik er getuige van hoe hij in een restaurant Daniel Cohn-Bendit alle hoeken van de kamer liet zien. Nadat Cohn-Bendit theoretisch had uiteengezet dat de jeugd in haar verzet tegen kernenergie en industrie nog steeds op zijn lijn zat, sloot hij de discussie kort met de droge praktijk: ,,De jeugd? Die is niet geïnteresseerd in staal maar in stelen.'' Zonder er zelf ooit deel van te zijn geweest, begreep hij het ooit vermaledijde `klootjesvolk' namelijk wel beter.

    • Hubert Smeets