Europa komt niet onder immigratiepolitiek uit

Iedereen was het erover eens dat de jongste top van de Europese Unie in Stockholm een saaie bedoening was. De EU-leiders zijn weer iets opgeschoten bij de vorming van die ene geldmarkt over de gehele Unie en de invoering van een Europese octrooistandaard. Andere voorstellen tot economische liberalisering zijn vastgelopen. Het idee van een centrale Europese luchtverkeersleiding is gestuit op een geschil tussen Engeland en Spanje inzake Gibraltar; voorstellen tot liberalisering van de gas- en elektriciteitsvoorziening werden tegengehouden door Frankrijk, dat hecht aan de voordelen van de publieke dienstverlening door openbare nutsbedrijven.

Maar het goede nieuws was wel dat de top van Stockholm de eerste tekenen vertoonde dat de EU schoorvoetend misschien nu eindelijk toch toe is aan een gedachte die tot nu toe taboe was: dat de EU wel eens behoefte aan een immigratiepolitiek zou kunnen hebben.

Tot voor kort huldigden de lidstaten over immigratie twee ideeën: ze vonden allemaal dat gewone immigratie beperkt of belet moest worden; ze vonden allemaal dat asielzoekers moesten worden uitgemaakt voor vermomde economische migranten en afgeschrikt door een beleid van getreiter, intimidatie en – in sommige gevallen – opsluiting.

Verder hebben enkele lidstaten, zoals Duitsland en Oostenrijk, zich ernstig bezorgd getoond dat EU-uitbreiding zal leiden tot een vloedgolf van werkzoekenden uit Midden- en Oost-Europa, en hebben ze duidelijk gemaakt dat ze langdurig uitstel zullen eisen van het recht voor elke nieuwe lidstaat op een vrij verkeer van arbeidskrachten. Achttien maanden geleden, op de top in Tampere, zeiden de EU-leiders dat ze ,,de noodzaak van een doelmatiger beheer van migratiestromen'' inzagen. Maar wat ze eigenlijk bedoelden waren strengere maatregelen om illegale immigratie aan te pakken.

Stockholm kwam een stap dichter bij de erkenning van het echte bevolkingsvraagstuk van Europa toen er werd gesproken van ,,de demografische uitdaging van een vergrijzende bevolking waarvan de mensen in de werkende leeftijd een steeds kleiner deel uitmaken''.

Het communiqué van de top meldde zelfs dat er op de EU-top eind dit jaar ,,een diepgaande discussie inzake immigratie, migratie en asiel'' zal plaatsvinden.

Maar de EU-leiders hebben nog steeds niet erkend wat iedereen wel weet: dat de bevolking van Europa niet alleen vergrijst, maar gaandeweg ook slinkt en waarschijnlijk de komende tientallen jaren zelfs sterk zal slinken. Op de top in Stockholm deden de leiders of de oplossing van het Europese vergrijzingsprobleem gevonden zal worden in een betere arbeidsmobiliteit, grotere flexibiliteit en verdere economische hervorming. Maar het is eenvoudig zo dat de Europese bevolkingsdaling alleen te stuiten is door een aanzienlijke immigratie.

In februari publiceerden de Verenigde Naties de jongste prognose voor de wereldbevolking in de komende vijftig jaar. Naar verwachting zal over het geheel genomen de bevolking van de minder ontwikkelde delen van de wereld stijgen van 4,9 miljard nu tot 8,2 miljard in 2050 en zal de bevolking van de ontwikkelde gebieden al met al min of meer stabiel blijven op 1,2 miljard. Maar binnen de ontwikkelde wereld zal de bevolking van Europa naar verwachting duidelijk dalen.

In een aantal Europese landen, zoals Frankrijk en Ierland, zal de bevolking overigens toenemen. Maar in andere landen zal een sterke daling plaatsvinden. De bevolking van Duitsland zal de komende vijftig jaar dalen van 82 tot krap 71 miljoen, die van Italië van 57,5 tot 43 miljoen en die van Spanje van bijna 40 tot iets meer dan 31 miljoen. Per saldo zal de bevolking in de vijftien EU-landen slinken van 376 tot 339,3 miljoen, een daling van tien procent. Nog scherpere dalingen worden verwacht in de kandidaatlanden in Midden- en Oost-Europa, en wel van in totaal 105 naar 85 miljoen, oftewel bijna twintig procent.

De gevolgen zijn verstrekkend. Ten eerste heeft de EU op de middellange termijn een aanzienlijk aantal immigranten nodig. Ten tweede is de angst voor een vloedgolf van immigranten uit Oost-Europa grotendeels een populistisch verzinsel. Ten derde zal Oost-Europa zelf een aanzienlijke immigratie nodig hebben.

Aan dit scenario dienen twee strategische voetnoten te worden toegevoegd. Ten eerste zal de komende vijftig jaar waarschijnlijk de bevolking van Turkije enorm toenemen, van 66 tot bijna 100 miljoen. Nu is Turkije in principe aanvaard als mogelijke kandidaat voor het EU-lidmaatschap. Maar als de VN-prognoses juist zijn zal de bevolking van Turkije in 2050 veel groter zijn dan die van elke andere lidstaat, Duitsland meegerekend, en bijna twintig procent van de bevolking van de uitgebreide EU uitmaken. De groei van de Turkse bevolking zou vrijwel opwegen tegen de daling van de bevolking in de huidige vijftien EU-landen; maar het is onwaarschijnlijk dat de huidige lidstaten daar erg voldaan over zullen zijn.

Daarnaast zal ook het strategische evenwicht met het oosten van Europa veranderen, omdat de bevolking van Rusland en Oekraïne naar verwachting nog sterker zal dalen dan die van de EU. De bevolking van Rusland, op het ogenblik 145,5 miljoen, zal de komende vijftig jaar naar verwachting dalen tot 104,5 miljoen; de bevolking van Oekraïne zal volgens de prognoses dalen van 50 tot 30 miljoen, een onthutsende daling van veertig procent.

Dat regionale patroon van een bevolkingsdaling in Europa, Rusland en Oekraïne, moet worden afgezet tegen het bredere beeld van een stijging van drie miljard in wereldverband, voornamelijk in de ontwikkelingslanden. Er is moeilijk aan de conclusie te ontkomen dat de Europese behoefte aan immigranten vermoedelijk zal samenvallen met een massale en waarschijnlijk onweerstaanbare druk van migranten uit de ontwikkelingslanden naar de ontwikkelde wereld.

Het is hoognodig dat de EU-leiders niet meer doen of de Europese demografische vergrijzing op te lossen is door meer interne arbeidsmobiliteit. In plaats daarvan zal de EU een brede, beheerste immigratiepolitiek moeten voeren. Dat is ongetwijfeld een moeilijke eis om aan politici te stellen, vooral gelet op de erfenis van het xenofobische beleid in zoveel lidstaten. Maar het moet, en het moet gauw.

Ian Davidson is verbonden aan het European Policy Centre en columnist bij The Financial Times.

© Project Syndicate Interne arbeidsmobiliteit helpt onvoldoende

    • Ian Davidson