Klassieke jazz

Een brug slaan tussen jazz en klassieke muziek, dat was de levenslange ambitie van pianist en componist John Lewis die donderdag in New York overleed. Het leverde hem veel respect op bij musici aan beide kanten van de scheidslijn. Maar de meeste populariteit verwierf Lewis zich als leider van het Modern Jazz Quartet dat eind jaren '50 zó populair was dat de letters MJQ volstonden.

Wat geen enkele jazzgroep in die jaren lukte, een groot publiek doodstil te houden, lukte John Lewis en de zijnen wel. Zoals in het Amsterdamse Concertgebouw in de winter van '59, waar het publiek zo in de ban was van zijn fuga's en rondo's dat zelfs het miniemste triangel-tikje de concertgangers niet ontging. Na de uitzinnige vertoningen van Lionel Hampton en Illinois Jacquet in diezelfde zaal was dit concert het ultieme bewijs dat er ook `beschaafde negers' bestonden. Dat ze allemaal een smoking droegen onderstreepte dat nog.

Dat de klassiek opgeleide Lewis zich in de jaren daarvoor ook met wilde zaken had ingelaten wisten alleen de hardcore modernisten. Tijdens zijn diensttijd in Normandië had Lewis drummer Kenny Clarke ontmoet die hem na de oorlog wist over te halen toe te treden tot de big band van Dizzy Gillespie, de bebop-sensatie van de dag.

Voor Gillespie schreef Lewis zijn eerste grote stuk: Toccata for Trumpet and Orchestra, dat echter pas vele jaren later op de plaat verscheen. Lewis' naam raakte snel bekend en binnen enkele jaren speelde hij met alle groten van de jazz, van de introverte saxofonist Lester Young die hij nog kende uit zijn jeugd, tot Charlie Parker en Miles Davis en niet te vergeten zangeres Ella Fitzgerald.

Zijn eerste platen als leider van het MJQ maakte Lewis eind '52 met Kenny Clarke en vibrafonist Milt Jackson, een ander maatje uit het orkest van Dizzy Gillespie. Samen met bassist Percy Heath en Connie Kay als vervanger van de later naar Europa geëmigreerde Clarke, bleef dit kwartet ruim twintig jaar intact. Het toerde vele keren over de wereld en bracht stapels platen uit die naar de maatstaven die toen golden buitengewoon goed werden verkocht.

Wat Dave Brubeck deed voor het grote Columbia, het `salonfähig' maken van de jazz, deed het MJQ voor het toen nog onafhankelijke label Atlantic. Veel stukken waren fraai al beklijfden ze niet, zoals het canon-achtige Vendome. Maar enkele andere composities bereikten een klassieke status. Bijvoorbeeld het aan de legendarische Belgische zigeunergitarist opgedragen Django waarvan sinds '54 door musici van alle rangen en standen honderden versies werden vastgelegd.

In '74 hield Lewis het MJQ voor gezien en legde hij zich voornamelijk toe op het geven van colleges op het City College of New York en Harvard University. Van tijd tot tijd maakte hij nog wel eens een soloplaat, zoals in '79 in Parijs het toepasselijke Afternoon in Paris in zijn karakteristieke piano-stijl: veel fraai uitgewerkte melodie en bescheiden linkerhand.

Als Lewis in '89 als gepensioneerde opnieuw met zijn MJQ in Amsterdam staat, ditmaal in de bioscoop Tuschinski, lijkt eerst alles nog net zo als toen. De zaal is even stil als dertig jaar eerder het Concertgebouw, ook bij het tikje op de triangel. Maar wat destijds bijna revolutionair was, jazzmuziek zonder schreewen en overdadig gezweet, bleek inmiddels heel gewoon. En dat fraaie Skating in Central Park, kende men dat inmiddels niet als omlijsting van een sportwedstrijd op de tv of een serie over zeldzame vogels?

Ook zijn verschijning op het North Sea Festival van een paar jaar daarna bevestigde het lot van de aimabale componist John Aaron Lewis. Wie zich welvoegelijk gedraagt om daardoor geaccepteerd te raken is eerder vergeten dan het type dat als een olifant door de porseleinkast raast.