In het harnas gestorven

Mijn zoon heeft één ambitie in het leven en die is films maken. Voor de filmacademie waar hij hier in New York zijn opleiding volgt, moet hij binnenkort al zijn derde korte film opleveren en dat heeft heel wat voeten in de aarde. Eerst heeft hij binnen een week een script geschreven dat te ingewikkeld en te diepzinnig bleek voor toekomstige toeschouwers, toen is hij vijf weken bezig geweest met de vereenvoudiging van dat script en daarna is de daadwerkelijke planning voor de opnames pas begonnen.

Twee maanden tevoren moeten er draaidagen vastgesteld worden waarop Michael, Jeffrey, John en Paul ook kunnen. Op die dagen moet er gegarandeerd een schitterende zonsopgang in de stad te aanschouwen vallen. Er moet huurapparatuur geregeld en besproken worden en een budgettering gemaakt worden. Dat laatste brengt alle betrokkenen tot wanhoop, want de voortschrijdende studie maakt mijn zoon steeds veeleisender. Behielp hij zich bij zijn vorige filmpje nog argeloos met een gestolen supermarktwagentje waarop de camera gemonteerd was – beetje schokkerig beeld, maar àlla – nu moet er al een professioneel railtje gehuurd worden waar de rijdende camera op straat overheen kan glijden of zoeven. Vrienden worden gecharterd voor hand- en spandiensten. En er wordt discreet geïnformeerd of mijn man en ik gedurende de draaidagen misschien opgehoepeld zouden kunnen wezen; voor de binnenopnames werkt het zoveel lekkerder als er zich geen onbevoegden in het pand ophouden.

Maar het moeilijkst blijven de acteurs. Mijn zoon beschikt over opzienbarende stapels headshots, foto's die acteurs (of mensen die acteur willen worden) opsturen naar iedereen die iets met film of toneel te maken heeft, soms met een lief, handgeschreven `consider me' op de rand, maar de juiste types heeft hij nog niet, hoe gedreven hij er momenteel ook achteraan jaagt.

Nu werkt de filmacademie in dat opzicht wel mee. Door de docente van het college Directing actors dat mijn zoon volgt, werd vorige week een monologue-audition georganiseerd. Dit houdt in dat de ca. twintig studenten die dat college volgen ieder twee of drie acteurs mogen uitnodigen die ze wel eens willen zien spelen. In een sessie van drie uur krijgen de uitgenodigde acteurs achter elkaar de mogelijkheid een monoloog van hooguit vier, vijf minuten ten beste te geven. Als hun tijd om is, houden ze een bordje met hun naam en telefoonnummer omhoog en verlaten de zaal. Alle geïnteresseerde regisseurs in spe kunnen er hun voordeel mee doen.

Mijn zoon had zich op deze acteermarathon verheugd, maar kwam op de betreffende avond wat uit het veld geslagen thuis. Hoe was het geweest? Nou, shit! En hij vertelde wat er gebeurd was.

Eerst waren er vijf of zes jonge acteurs aan de beurt gekomen, die het heel aardig deden. Daarna werd een vrouw van een jaar of zestig binnengelaten. Zij begon een gloedvolle monoloog af te steken waarin ze fulmineerde tegen een – uiteraard afwezige – derde die ergens van overtuigd moest worden, maar kennelijk niet wilde luisteren. Ik word doodmoe van je, zei de vrouw dan ook, en af en toe onderbrak ze haar eigen woordenstroom om met wat scheefzakkend hoofd af te wachten of het haar opponent nu beliefde iets terug te zeggen, maar hij reageerde niet. En tegen de tijd dat haar minuten vol waren, ging ze gelaten op een bankje zitten dat op het podium stond, neuriede nog een fragment van een liedje en zweeg vervolgens in moedeloosheid. Ze had het fantastisch gedaan. De beste die er tot dan toe bij geweest was. Maar ze bleef maar zitten. Dank u wel, u kunt gaan, hoor, zei de docente. Maar de vrouw ging niet. De acteerprestatie had haar zo vermoeid, dat ze gewoon in slaap gevallen was, tot toenemende hilariteit van de studenten, die allemaal zaten te lachen om dit levensechte einde van de monoloog. De docente lachte mee en kon zich er nauwelijks toe brengen haar wakker te schudden.

Het had nog een flinke tijd geduurd voordat iemand 911 gebeld had op zijn mobieltje. Maar toen arriveerde de brandweer dan ook heel spoedig. De brandweer? Ja, die was blijkbaar het snelst beschikbaar geweest. En brandweermannen hadden ook zuurstofmaskers en verstand van dit soort gevallen. Alleen hielp een zuurstofmasker niet meer. Toen de vrouw op de brancard was getild, waren haar handen al helemaal blauw en stijf.

Shit, zei mijn zoon nogmaals.

Ze waren maar naar een café gegaan met een heel stel.

Twee dagen na deze gebeurtenis belde de docente van de Directing actors class. Mijn zoon was niet thuis en daarom gaf ze de boodschap maar even door. Die actrice was al overleden geweest toen ze in het ziekenhuis arriveerde, moest ik zeggen. Als mijn zoon daar behoefte aan had, kon hij contact opnemen met een psycholoog van de Health Service van de school. Free, zei ze er nog bij. Maar we konden ervan verzekerd zijn dat er tijdens het volgende college ook nog counselling van de studenten zou plaatsvinden, hoor. Ze klonk nog heel jong en het was duidelijk dat het haar zelf ook niet onberoerd liet.

Eigenlijk best een mooie dood, heb ik als reactie op het verhaal tegen mijn zoon gezegd. Ook al is het dan voor een zaal vol snotneuzen, die vrouw is in het harnas gestorven. En jullie vonden dat ze het juist zo goed deed. Ze bood waar voor haar geld! Dat moet haar plezier gedaan hebben.

Maar hij was het er niet mee eens. Dat ze zo hadden zitten lachen met z'n allen, dat liet hem maar moeilijk los.

    • Rascha Peper