Humor regeert in 21ste Nacht van de Poëzie

,,Ik waarschuw hierbij Máxima en alle Argentijnen: Je mag 'm hebben, meid – maar je laat hem niet verdwijnen!'' Ook op de Nacht van de Poëzie, afgelopen zaterdag in de Vredenburg in Utrecht, was de opwinding over Het Huwelijk groot. Joop Visser bracht in een onaangekondigd optreden onder luide bijval een drietal liederen over ons koningshuis. Zichzelf stemmig begeleidend met een tango-achtige melodie op de gitaar hield hij een lange smeekbede aan Máxima en de Argentijnen om toch maar vooral zorgvuldig met Willem-Alexander om te springen. ,,Zoveel prinsen hebben we nu ook weer niet'', zong hij, en ,,trouwens, 't is niks voor Beatrix, met een hoofddoek op een plein.'' Te oordelen naar het bulderende applaus was het zonder meer het favoriete gedicht van de avond.

Het was bepaald niet de enige verwijzing naar het koningshuis op deze 21ste editie van de Nacht van de Poëzie, waar bovendien ook nog een tango-gezelschap een intermezzo verzorgde, naast onder andere de Belgische band Das Pop, Laïs, Trijntje Oosterhuis en de spectaculaire breakdance groep Freezone. Voor deze 21ste Nacht, als vanouds in een broeierig, warm en uitverkocht Vredenburg, waren 21 dichters uitgenodigd, onder wie Cees Nooteboom, André Verbart, Frank Koenegracht en Stefan Hertmans, die in een niet van te voren bekend gemaakte volgorde zouden optreden. Of, zoals de toepasselijke regels van Marjoleine de Vos luidden, geprojecteerd op drie grote schermen boven het podium: `Wie wacht weet nooit waarop/ want steeds is alles anders.' Het enige dat vaststond was dat Ilja Leonard Pfeijffer, de afsluiter van vorig jaar, nu de avond zou openen.

Dat deed hij voortvarend. ,,U bent een publiek van kenners, dat er voor heeft gekozen de hele avond naar poëzie te luisteren. U hebt er niet meer dan recht op te weten wat poëzie eigenlijk is. En gelukkig weet ik dat'', aldus Pfeijffer, die prompt geestdriftig losbarstte in het programmatische gedicht `Vuurvogel' uit zijn nieuwe bundel. Het gaf een amusante samenvatting van Pfeijffers poëtica: poëzie is geen poging `tot pogen te prevelen/ wat de onuitsprekelijk sensibele ziel in eenzelvige stilte/ denkt niet te vermoeden omtrent het onzegbare/ van verstilde binnenmeren', geen `puistig provoceren op een popi podium', maar `poëzie is mens de dansende wereld dromen en pijnlijk leven zingen/ in de taal van mensen/ poëzie is mens.'

Ook de Vlaamse Luuk Gruwez gaf blijk van een interessante visie op de dichtkunst. ,,God is een soort inferieur artiest. Ik denk dat de dichters zijn uitgevonden om de constructiefouten in zijn schepping te vullen'', zei hij, en kwam met een gedicht waarin God zich uitputte in excuses. Na een reeks slappe smoesjes – Hij kon het niet geweest zijn, was moe, net bezig met iets anders – kwam het hoge woord eruit: `het moet beslist een ander zijn geweest,/ een concurrent met meer talent,/ die iets zaligs en goedaardigs/ als de dood geschapen heeft.'

Een sterke voordracht is alles op de Nacht van de Poëzie, en er waren veel dichters die – met veel succes – werk voorlazen met humoristische elementen, een punchline of markante retorische wendingen. C.O. Jellema maakte gebruik van niets van dit alles, las ingetogen en intens voor, en kreeg de zaal ademloos stil met zijn gedichten over de drijfjacht uit zijn jeugd, waarin een klein jongetje zich voor de morele keus zag gesteld om een van angst verstijfde haas op te jagen dan wel hem schijnbaar ongezien voorbij te lopen. Een al even sterke présence had Wilma Stockenström, een van de belangrijkste Zuid-Afrikaanse dichteressen en een bijzondere buitenlandse gast op de overwegend Nederlandstalige Nacht van de Poëzie, die expressief voordroeg in een prachtig melodieus Afrikaans.

Werd er vorig jaar nog opgemerkt dat de gemiddelde leeftijd van de dichters rond de `zevenenvijftig en driekwart' lag, dit jaar besloot de Nacht met een voordracht van de jongste genodigde, acteur, prozaschrijver en dichter Ramsey Nasr (1974). Aan hem de eer, zoals de traditie het wil, om volgend jaar de 22ste Nacht van de Poëzie te openen.

Nacht van de Poëzie. Gezien: Vredenburg, Utrecht, 31/3.