Haagse lof voor cellomuziek van de jonge Webern

Geen boegeroep en ook geen onwennige stilte, maar proesten en lachen dat was wat Anton Webern overkwam na menige première. En het kon nog vernederender. Eens liep een musicus tijdens een concert hoofdschuddend van het podium. Het Haagse publiek echter gedroeg zich voorbeeldig. Tijdens Weberns Drei kleine Stücke op. 11 voor cello en piano, zonder enige opsmuk volstrekt integer vertolkt door Hans Woudenberg en Marja Bon, kon men de speld horen vallen. Na afloop sprak het applaus boekdelen, vele malen sprekender dan na de uitvoering van de daaropvolgend gespeelde werken van de eigentijdse componisten Rihm en Goebaidoelina.

In de jaren '20 lachte het Berlijnse publiek bij Webern-uitvoeringen Gregor Piatigorski nog uit, de cellist die later de premières verzorgde van de eveneens door Woudenberg en Bon vertolkte vroege cellowerken. Daaronder een Langsam in G en een Langsam in F van de vijftienjarige componist, pas opgedoken in 1965. En het Sehr bewegt uit de onvoltooid gebleven Cello Sonata, die Webern componeerde op verzoek van zijn vader — een cellist. De loze Brahms-lengte was niet naar zijn zin en tot een tweede deel kwam het niet. Daarvoor in de plaats bood hij zijn vader de Drei kleine Stücke aan, muziek uit een geheel andere wereld.

Weberns allervroegste cellomuziek klinkt als verzonken in een diepe slaap, onverstoorbaar ademend vanuit één enkele figuratie. De daarna gecomponeerde liederen zijn een behoorlijke stap verder. Vorfrühling (ten dele geïnstrumenteerd) klinkt als in een sluimer, innig en puur. Zelfs met een Amerikaans accent voorgedragen door Barbara Streisand is het even slikken. Bood het energieke Sehr bewegt uit de sonate geen toekomst, ook de drie kleine stukken betekenden een eindstation. Want wat moest hij verder met deze aforistische motieven, smorend in een worgende omklemming door de stilte, verstikkend én onuitsprekelijk teder tegelijk?

Het waren weer de liederen die Webern uitkomst boden. Aan de poëzie trok hij zich op, als een Baron von Münchhausen uit het cellistische moeras. Cello en zang waren de twee polen van Weberns kunst.

Logisch dat hierna Rihms In Nuce voor strijktrio een terugval betekende. Overigens kan Rihm deze ruismuziek beter overlaten aan Lachenmann. Maar hij revancheerde zich met Am Horizont, Eine Stille Szene voor viool, cello en accordeon, gecomponeerd voor Mauricio Kagels zestigste verjaardag. Alles hoog en ijl, met demper en zonder vibrato, als Japanse hofmuziek met de accordeon, sterk gelijkend op het shô-mondorgel. Die heeft het laatste woord in een zacht wringende secunde. Die blijft nog lang nazinderen terwijl de violist verstart in een stom `hallo?' en de cellist langzaam zijn hand naar de oorschelp brengt.

Ook Goebaidoelina's Galgenlieder (1996) voor zang, slagwerk en contrabas herinneren soms aan Kagel, zoals in een scène waarin de gestiek is uitgecomponeerd zonder dat een enkele noot klinkt. De teksten van Christian Morgenstern vind ik minder passend. Goebaidoelina's muziek kan wel lyrisch luchtig uitpakken, maar beslist niet lichtzinnig, zoals deze poëzie. Maar hoe fraai klinkt dan weer niet een psalm zonder tekst voor contrabas en marimba in de beste Russisch melancholieke traditie.

Is Webern voortdurend gewikkeld in een gevecht met de stilte, Bartóks Derde strijkkwartet klinkt precies andersom, Xenakis-achtig, dicht en compact. Om niet om helemaal te exploderen bedacht de componist de strengste organisaties vol spannende symmetrieën. De kritiek sprak van `amoreel', eigenlijk nog erger dan te worden uitgelachen. Beide aspecten, die van een dolle hond en die van een strenge dressuur, kwamen in de uitvoering door het Schönberg Kwartet uitstekend tot hun recht: temperamentvol en terzake, geladen en precies.

Concert: Schönberg Ensemble. Gehoord: 29/3 De Nieuwe Kerk Den Haag.

Schönberg Kwartet. Gehoord: 1/4 De Nieuwe Kerk Den Haag. Herh.: 28/5 Concertgebouw Amsterdam.

    • Ernst Vermeulen