Een cynische hypnotiseur

En zo is Slobodan Miloševic, dertien jaar lang autocratisch heerser, de onnavolgbare manipulator, de aanstichter van vier oorlogen, de man die miljoenen levens vernietigde of drastisch overhoop gooide, uiteindelijk als een ordinaire dief en oplichter achter de tralies beland. Zijn miljoenen Serviërs tellende aanhang is verdampt zoals zaterdag zijn mini-legertje aanhangers voor zijn villa verdampte: uiteindelijk was er niemand meer over. Zijn dochter Marija schoot nog vijf keer in de lucht, als machteloos en pathetisch protest bij de arrestatie van de man die jarenlang de Balkan op zijn kop had gezet en 's werelds grootmachten al die jaren een heftige hoofdpijn had bezorgd. Hij heeft nu een hele vleugel van de gevangenis tot zijn beschikking, een mooie vleugel vast en zeker, maar hoe mooi ook: Slobodan Miloševic zit achter tralies.

Zijn magie is verdwenen. Servië-kenner Charles Simic noemde hem eens ,,een sekteleider als Jim Jones'' die zijn volk herschiep tot ,,aanhangers die zich voorbereiden op een collectieve zelfmoord''. Balkan-kenner Ger Duijzings omschreef hem als een man die van Servië een land had gemaakt ,,dat wordt gedomineerd door populisme, nationalistisch ressentiment, paranoia, xenofobie en de bereidheid geweld te gebruiken''. Een kille cynicus die de kunst verstond de ziel van de Serviërs te lezen en die kunst dertien jaar lang briljant toepaste zonder stil te staan bij de consequenties – oorlog na oorlog, 263.000 doden in Bosnië, 20.000 in Kroatië, 12.000 in Kosovo. En miljoenen vluchtelingen.

Hij heeft dat manipuleren moeten leren: Slobodan Miloševic' talent kwam niet zomaar aan het daglicht. Miloševic (59) was in zijn jeugd een stille, introverte, teruggetrokken jongen uit de provincie, die beide ouders door zelfmoord verloor en die maar één vertrouweling had: zijn even stille en introverte vrouw Mira, die de moeder idealiseerde die in de Tweede Wereldoorlog als partizane was vermoord door haar eigen mensen, wegens verraad. Mira heeft haar hele leven gekookt van frustratie en verbittering en verreikende ambities. Slobo deelde die ambities. Ze deelden ook een bepaalde meedogenloosheid. Geen van beiden heeft ooit – ook niet in kleine kring – enige vorm van medeleven aan de dag gelegd jegens het leed van doden of nabestaanden of vluchtelingen. Sterker nog: de zekerheid dat hij een oorlog zou verliezen heeft Miloševic er nooit van weerhouden hem te ontketenen. Miloševic is de slachter van de Balkan, zei gisteren een Serviër op de BBC, ,,maar hij is vooral de slachter van de Serviërs''. Hij heeft zijn eigen volk opgeofferd aan zijn eigen privé-ambities.

Over de carrière van Miloševic vóór 1986, toen hij partijleider van Servië werd door zijn grootste vriend en mentor te verraden, valt weinig te zeggen: een onopvallende econoom, bankmanager met ervaring in New York, een trouw partijlid. Een onopvallende man, intelligent, maar zonder charisma, een slechte spreker met een baby face. De carrière van Miloševic veranderde toen hij – als partijchef – naar Kosovo werd gestuurd en er opeens letterlijk oog in oog stond met Serviërs die hem hun peilloze frustratie in het gezicht slingerden: over Albanese pesterijen, over het getalsmatige oprukken van de Albanezen, over de autonome regering van Kosovo die het vertrek van Serviërs aanmoedigde, over de `genocide' waarvan ze het slachtoffer waren.

Het was een uiting van nationalisme waarmee in het Joegoslavië van die tijd een taboe werd doorbroken: ze was immers radicaal in strijd met het beleid van Broederschap en Eenheid dat meer dan veertig jaar het alfa en omega van Tito's beleid had gevormd. Veel mocht, in dat Joegoslavië, maar nationalisme mocht niet. In 1986 had de Servische Academie van Wetenschappen in een berucht Memorandum dat taboe al doorbroken, met name ten aanzien van de `genocide' tegen de Serviërs in Kosovo. Het Memorandum – een wanstaltige catalogus van vermeende misdrijven tegen de Serviërs – was nog door de partijleiding, inclusief Miloševic, veroordeeld. Maar Miloševic wist: wat die academici zowel als die Serviërs in Kosovo bezielde, dat was een oergevoel dat veertig jaar was onderdrukt. De Serviërs waren het grootste volk in de federatie, maar Tito had hun de eerste plaats in de federatie ontzegd: hun zeggenschap was even groot als die van de minder talrijke Kroaten, was zelfs niet groter dan die van de minivolkjes, de Macedoniërs, de Montenegrijnen, de Slovenen, zelfs de vanouds gehate Kosovo-Albanezen.

Dat oergevoel, die frustratie over veertig jaar vernedering, die angst voor uitroeiing (genocide werd al snel een standaardterm), werd in 1987 door Miloševic ontdekt – en vervolgens cynisch gebruikt en opgezweept en in dienst van zijn eigen carrière geplaatst. Dat was zijn grote talent: hij herkende het potentieel van het decennia onderdrukte nationalisme en wist hoe hij het kon manipuleren om de Serviërs – naar hun gevoel – te geven waar ze recht op hadden en zijn eigen positie te versterken. Hij bouwde het nationalisme uit tot een onaantastbare burcht met zichzelf als alleenheerser: een heilige bijna, een mythische figuur, die de botten van de heilige vorsten van het glorieuze Servische verleden uit de kloosters liet halen en ze heel Servië liet rondzeulen en die bij de 600ste verjaardag van de heilige Slag op het Merelveld zelf als een mythische vorst per helikopter op het Merelveld neerdaalde om anderhalf miljoen uitzinnige Serviërs voor te houden dat ,,Servië is waar Servische botten rusten''.

De consequenties waren verschrikkelijk, want hij joeg met dat door al zijn propagandamedia opgezweepte hysterische nationalisme de andere volkeren van de federatie in de gordijnen: zij holden van de weersomstuit de burcht van hun eigen nationalisme binnen. Miloševic was niet als enige verantwoordelijk voor de vier oorlogen die hij ontketende, maar zonder zijn recept voor de Servische bevrijding had in Kroatië die andere hoofdrolspeler, Franjo Tudjman, nooit een kans gekregen, was er geen Radovan Karadźic geweest in Bosnië, geen Arkan, geen Hashim Thaçi in Kosovo. Zonder Miloševic was Joegoslavië óók uiteengevallen, maar wellicht zonder oorlog.

De hysterie, en de daaruit voortvloeiende oorlogen, hebben dertien jaar lang het politieke debat in Servië ingevroren. Servië was een gehynotiseerde natie waar alles draaide om de vraag wat Serviërs zijn, en waar ze wonen, en waar ze de baas mogen zijn. Die vraag domineerde de politiek van alledag, en de mentaliteit van de burgers. Hoorden de Serviërs in Kroatië en in Bosnië en in Kosovo soms niet bij Servië? Hadden ze soms niet het recht in één staat te wonen? Die `kwestie' – opgeklopt, gemanipuleerd, uitgebuit – verhinderde in Servië elk normaal politiek debat, over hervormingen, de economie, wetten en maatregelen en verordeningen, zaken die het debat in een normaal parlementen beheersen. Servië raakte verstrikt in een soort permanente revolutie die door Miloš­sevic met alle middelen gaande werd gehouden.

De rest van de politiek paste zich aan, ook Miloševic' tegenstanders. Ze hebben allemaal hun rolletje gespeeld in die permanente revolutie. Ze zochten vrienden bij `goede' Serviërs, en als Radovan Karadźic of Ratko Mladic of Arkan een goede Serviër was, dan zochten ze hem op. Ze probeerden elkaar in retoriek te overtreffen. Ze praatten in code. Ze jongleerden met slogans, mythen en symbolen, die met alledaags beleid niets te maken hadden maar wel een standpuntbepaling inhielden. De Servische politiek werd een circus.

Boven dit circus presideerde, met een kliek vrienden en profiteurs, Miloševic, een man zonder overtuiging: hij was noch communist, noch nationalist, hij gebruikte die ideologieën alleen maar, hij trok alleen maar aan de touwtjes, alle touwtjes, oorlog in, oorlog uit. Een man zonder loyaliteiten. Hij liet de Kroatische Serviërs als een baksteen vallen toen ze hem niet meer van nut konden zijn en deed hetzelfde met de Bosnische Serviërs en de Serviërs in Kosovo. Een cynicus die alleen waarde hechtte aan zijn eigen machtspositie. Democratie was er alleen pro forma. Democratie - dat was de politieke partij van hemzelf en die van zijn vrouw die niets anders waren dan distributiecentra ter verdeling van privileges en geld – de miljarden die zoek raakten nadat ze de bevolking door middel van de hyperinflatie handig uit de zak waren geklopt. Een nomenklatoera van kleptocraten. Een oligarchie van dieven, profiteurs, oorlogsmisdadigers en gewone gangsters die de economie, de politiek, de rechtspraak en de media beheersten met de methoden die gangsters eigen zijn: moord, desnoods.

Miloševic verloor in tien jaar elke slag: hij wilde de Serviërs de eerste stem in de oude federatie geven, maar blies de federatie op. Hij wilde daarna een Groot-Servië maar verloor de oorlogen om Kroatië en Bosnië. Hij verloor uiteindelijk ook het heilige Kosovo, en straks loopt ook Montenegro weg.

Heeft hij spijt, zo werd hem onlangs in zijn laatste vraaggesprek gevraagd. Nee, geen spijt. Verduisterd heeft hij niets – dat zijn verzinsels. Oorlogsmisdaden? Bij individuele acties misschien, want waar gehakt wordt vallen spaanders. Hij, Miloševic, heeft slechts Servische belangen verdedigd, niet meer en niet minder. ,,Ik heb een rein geweten en ik slaap goed.''

De manier waarop hij werd gearresteerd typeerde hem. Hij verzette zich, dertig uur lang. Dertig uur lang toneel: hij ,,dronk rustig koffie met vrienden'', heette het eerst. Vervolgens de woede en de gespeelde verontwaardiging over de ,,belachelijke'' aanklacht, daarna de bluf en de dreigementen: hij zou zich niet levend overgeven. Het waren weer die pogingen iedereen te overbluffen en voor de gek te houden – om vervolgens in te binden. Ook dat is déjà vu: hij heeft zich altijd met verbluffend gemak neergelegd bij elke nederlaag, als die eenmaal onvermijdelijk was, jammer genoeg pas nadat de prijs was betaald, in bloed en tranen. Zijn laatste nederlaag, die van gisteren, was voor hemzelf ongetwijfeld het ergst, erger dan al die verloren oorlogen. Geen wonder dat gerept wordt van zijn ,,uiterst labiele'' toestand bij zijn arrestatie.

    • Peter Michielsen