Willen we dit?

De boer heeft steeds minder ruimte in Nederland. Toch produceert hij steeds meer. Door de mond- en klauwzeercrisis worden de nadelige gevolgen van die intensieve landbouw nu zichtbaar. Wie is er schuldig: de boeren, de consumenten of de overheid? En: hoe nu verder?

Voor iedere liter melk moest hij een stapel formulieren invullen en een kilo mest kon hij pas afvoeren als er een vergunning voor was. ,,Gek werd ik er van.'' Vijftien jaar geleden emigreerde de 41-jarige boer Harry Bakker uit Giethoorn naar Ferreira do Alantejo in Portugal. In Nederland werkte hij op een bedrijf van veertig hectare en tachtig koeien; nu boert hij met bijna vijfhonderd koeien op een oppervlakte van vierhonderd hectare. ,,Hier in Portugal ben je vrij ondernemer. In Nederland heeft het Europese landbouwbeleid de agrarische sector kapot gemaakt.'' Hoewel, zo erkent hij, ook in Portugal begint de Europese wet- en regelgeving te knellen. ,,Een paar jaar geleden konden we de mest nog gewoon op de rivier lozen, nu hebben we gierputten moeten aanleggen.''

Volgens Bakker is de toekomst aan grote bedrijven in Oost-Europa: ,,Daar is nog ruimte en is de grond goedkoop.'' De bloei daar zal volgens Bakker ten koste gaan van de agrarische sector in Nederland. Bedrijven met een paar duizend koeien is de toekomst. Deze grootschaligheid gaat niet ten koste van het welzijn van de dieren. ,,Ik ben op een boerderij in Californië geweest met vierduizend koeien. Dat is anders dan de grootschaligheid van een Nederlandse legbatterij of varkensstal: bij die intensieve veehouderij heb ik mijn bedenkingen. Vierduizend koeien is veel, maar per koe is er veel meer grond.''

Nederland heeft op z'n kleine oppervlak één van de meeste intensieve landbouwindustrieën van Europa - met alle gevolgen vandien voor het milieu, het landschap en het dierenwelzijn. Varkenspest, BSE en mond- en klauwzeer stoken de discussie op over de vraag of dit land wel geschikt is voor intensieve landbouw. ,,Het moet minder'', zeiden in de afgelopen dagen een lange reeks deskundigen, inclusief de D66-minister van Landbouw Laurens Jan Brinkhorst en één van zijn CDA-voorgangers Gerrit Braks.

De productiedwang is te ver doorgedraaid, daarover is bijna iedereen het eens. Op het collectieve netvlies staan nog de gevolgen van de varkenspest in 1997-1998. Vrachtwagens vol dode varkens lokten een discussie uit over de ethische aanvaardbaarheid van deze industriële omgang met dieren. De populatie mestvarkens is overigens nog altijd elf miljoen. Haast verborgen blijft de pluimvee-industrie, die niettemin jaarlijks ruim honderd miljoen kippen door de legbatterijen jaagt - Nederland is de grootste eierexporteur ter wereld. ,,Willen we dit nog?'' vroeg minister Brinkhorst zich vorige week hardop af. De consument is ongerust, niet alleen over de ethische kant van de zaak maar ook de veiligheid van zijn eten. En dan is er de vraag: áls er nog behoefte is aan landbouw in Nederland, is er dan ruimte voor?

In Duitsland, de belangrijkste exportpartner, is in januari een Groene minister aan het roer gekomen, Renate Künast. Daar moet de landbouw voortaan worden ingepast in het landschap, maar ook in het maatschappelijk leven. Zij bindt de strijd aan met de grootschalige bedrijven en streeft naar een aandeel van twintig procent voor het biologisch boeren, dat wil zeggen zonder gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest.

In Nederland reageerde minister Brinkhorst aanvankelijk enthousiast op de nieuwe aandacht voor milieu en welzijn van dieren in de Agrarwende. Maar haar ,,romantische geloof'' in de kleinschaligheid deelt Brinkhorst niet. Hij houdt vast aan een economisch sterke landbouw, die geheel door de vraag en de verlangens van de consumenten moet worden gereguleerd. Voor biologische landbouw ziet hij bijvoorbeeld een aandeel van maximaal tien procent, eenvoudigweg omdat hij niet meer vraag voor die relatief dure producten verwacht. Tot ongenoegen van een meerderheid van de Tweede Kamer wil hij van omschakelingsubsidies niets weten.

Af en toe laat Brinkhorst zich verleiden tot speculatie over de contouren van de Nederlandse landbouw. Vorige week ontwarde hij in de Eerste Kamer ,,door de oogharen'' vier scenario's voor de Nederlandse landbouw van de toekomst: naast de biologische en de gentech-landbouw (waarover eerst een maatschappelijk debat wordt gevoerd) waren dat de multifunctionele landbouw (boeren die naast hun agrarische werk ook andere bronnen van inkomsten hebben, van natuurbeheer tot kantoorwerk) en — toch ook — de intensieve landbouw. Deze zou zich in specifieke gebieden moeten concentreren, waar de productie onder strenge controle van de overheid geschiedt.

Deze visie komt neer op een tweedeling in de landbouw: enerzijds de economisch sterke, op de export gerichte sectoren als de intensieve landbouw, anderzijds de `niche'-markten zoals de biolandbouw. Deze visie houdt gelijke tred met de sociale omwenteling die zich al voltrekt op het platteland. Het aantal boeren neemt gestaag af: sinds 1980 is het aantal bedrijven gedaald van 145.000 naar 100.000. De productie is echter niet afgenomen. Dat betekent dat de grootste 100 boeren evenveel produceren als de 24.000 kleinsten. Er is een kleine groep die veel produceert, en een grote groep die met moeite of helemaal niet meer het hoofd boven water houdt.

Dan maar emigreren, denken sommigen. Tweehonderd collega's, zo blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), volgen jaarlijks het voorbeeld van Harry en Annelies Bakker. En hun aantal zal toenemen. Vooral Denemarken is op dit moment populair; ongeveer de helft van de emigrerende boeren vestigt zich daar. Een bedrijf daar kost een kwart van wat het hier zou kosten, en de banken lenen er makkelijk: met tweehonderdduizend gulden eigen geld heb je een bedrijf van bijna tweeëneenhalf miljoen. Bovendien, zegt Bakker, ,,wordt de ruimte in Nederland steeds schaarser. Politici hebben meer belangstelling voor wonen en recreatie dan voor het boerenbedrijf.''

De recente Vijfde Nota, waarin minister Pronk van Ruimtelijke Ordening de contouren schetst van Nederland tot 2030, gaat ervan uit dat er door het teruglopen van de landbouw 450.000 hectare vrij komt. Voorzitter Gerard Doornbos van de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) is boos. ,,Als je de landbouw milieuvriendelijker wilt maken, en de dieren een beter leven wilt geven, dan is er juist veel méér grond nodig.'' Hij vindt het kwalijk dat het ministerie van Landbouw bij de onderhandelingen over de Vijfde Nota al bij voorbaat 170.000 hectare boerengrond inleverde. ,,Alsof we grond over hebben!''

Oud-minister van Landbouw (1980-1990) Braks vindt de inschatting van een terugloop van 450.000 hectare realistisch. ,,Als er ieder jaar twee tot drie procent vanaf gaat, zoals nu, ben je daar over een jaar of tien. En zo zal het ook wel gaan.'' Evenmin als Brinkhorst is Braks voor een sentimentele benadering, waarin de boerenstand koste wat het kost in stand wordt gehouden. ,,Boer zijn is een gewone economische activiteit.''

De Oost-Groningse streek het Oldambt is het zinnebeeld van de benarde positie waarin de landbouw de laatste tien jaar is terechtgekomen. Dit najaar wordt een begin gemaakt met `De Blauwe Stad', een project waarbij tegen de duizend hectare landbouwgrond onder water wordt gezet. Daarvoor moeten ongeveer zestig boerenbedrijven wijken. Het kunstmatige meer is onderdeel van een plan voor bos, natuur, woningen en recreatie, dat voor nieuwe bewoners en daarmee nieuwe inkomsten moeten zorgen.

Midden negentiende eeuw was het Oldambt welvarend. Spaarzaam verspreide herenboerderijen domineerden het aan de Dollard grenzende gebied. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog deed de streek volop mee aan het landbouwbeleid van de Groningse boerenzoon en EU-landbouwcommissaris Sicco Mansholt. Het parool was: schaalvergroting. Veehouders met vierhonderd koeien, akkerbouwers op duizend hectare.

In de jaren tachtig drong het tot Europa door dat boeren in feite subsidie kregen om maar door te produceren, zonder op de markt te letten. In de jaren negentig liep de steun drastisch terug. Sindsdien wordt er achter de neoclassicistische façades van de kapitale boerderijen in het Oldambt in stilte armoede geleden. Jongeren en hoger opgeleiden trokken weg van Mansholts geboortegrond; voor het relatief dure graan, de bieten en de aardappels van de akkerbouwers was geen markt meer. Inmiddels is meer dan de helft van de huishoudens in het Oldambt van een uitkering afhankelijk, eenvijfde van de mensen is werkloos. De bevolking vergrijst, alleen laaggeschoolden blijven achter. Het zoeken naar alternatieven voor de landbouw werd urgent.

Begin jaren negentig lanceerde PvdA-gedeputeerde Gerard Beukema begin jaren negentig een plan om landbouwgrond onder water te zetten. Winschoten, Heiligerlee, Scheemda, Midwolda, Oostwold, Finsterwolde en Beerta komen dan aan de rand van een meer te liggen. In de Blauwe Stad komen ongeveer veertigduizend mensen te wonen. ,,De leegloop van het platteland willen we voorkomen met kwalitatief goede woonruimte, die nieuwe mensen en nieuwe initiatieven zal uitlokken'', verklaart Beukema, die inmiddels directeur is geworden van het Interprovinciaal Overleg.

In zijn werkkamer in Den Haag schetst hij in enkele woorden de verschuivingen in de landbouw die zich in tien jaar in het Oldambt hebben voltrokken. De akkerbouw was, zo analyseert hij, al snel onrendabel geworden toen de Europese bescherming wegviel. Daarnaast steeg de prijs van de grond. Het overnemen van een akkerbouwbedrijf was onbetaalbaar geworden. In de afgelopen tien jaar hebben tientallen veeboeren zich gevestigd in het Oldambt, onder meer op de grond van de verdwenen graanboeren. Beukema: ,,Als gevolg van de milieuregelgeving is een extensivering van de veeteelt op gang gekomen. Er is onder boeren een sterk toegenomen behoefte aan ruimte. Het Oldambt, dat trouwens in de achttiende eeuw ook een veeteeltgebied was, kon daarin voorzien.''

De komst van de veeboeren liet het plan voor de Blauwe Stad onverlet. Beukema: ,,Grond blijft in Nederland een schaars goed, terwijl de behoefte aan grond alleen maar stijgt. Kijk bijvoorbeeld naar de groei van de bevolking. De prijs van grond zal dus steeds verder stijgen, waardoor de landbouw steeds minder rendabel wordt. In Groningen zie je om die reden nu al grote gebieden vergroenen. Ik voorzie een ontwikkeling met grote landbouwbedrijven in het buitenland; in gebieden waar grond in overvloed is en de prijs van grond laag.''

Vijf jaar geleden kostte een hectare landbouwgrond nog geen veertigduizend gulden. Vorig jaar kwam de gemiddelde koopprijs van een hectare landbouwgrond tot boven de zeventigduizend gulden. In Flevoland en langs de Noord- en Zuid-Hollandse kust wordt inmiddels al meer dan honderdduizend gulden betaald voor een hectare landbouwgrond. De explosieve toename van de grondprijzen heeft vooral te maken met het steeds schaarser worden van grond. Jaarlijks worden duizenden hectare grond aan de landbouw onttrokken voor huizen, wegen, industrie, bos en sportterreinen. Daarnaast legt de overheid het intensief boeren steeds meer aan banden, waardoor deze bedrijven naarstig op zoek zijn naar meer grond.

Met de komst van de Blauwe Stad is een aantal boeren gestopt. In het hele land houden per dag elf boeren ermee op. De boeren die over zijn, klagen steen en been over de omstandigheden waaronder zij werken. Neem alleen al de milieu-eisen waar de veehouders aan moeten voldoen. Ze leiden tot vuistdikke stapels formulieren waar tal van boeren wekelijks hun zondagavonden mee vullen. De Europese nitraatrichtlijnen en Nederlandse regelgeving daarover met strenge `verliesnormen' per kilogram stikstof zijn zo gedetailleerd dat elke boer een getalenteerde boekhouder moet zijn om alles bij te houden – ook al rijden er tegenwoordig mestwagens over het land met een computergestuurd reken- en doseermechanisme bij het begin van de slang. Er zijn zoveel formulieren in te vullen – die allemaal verwerkt worden door een dienst in Assen met de Bordewijkiaanse naam `Bureau Heffingen' – dat het ministerie van Landbouw inmiddels een speciale projectdirecteur voor bureaucratische versimpeling heeft benoemd.

Toch zijn er ook boeren die optimistisch zijn. Van de familie Krijn uit Oostwold verdwijnt door de komst van de Blauwe Stad de helft van hun bedrijf (dertig hectare) in het water. Maar in het Groningse Godlinze bouwden ze een nieuw bedrijf. ,,Zonder opvolger waren we in Oostwold gebleven'', zegt Wies Klijn (53). ,,Maar je denkt ook aan je zoon die verder wil.'' Haar zoon en man wilden ook wel een bedrijf in het buitenland beginnen ,,maar mijn dochter en ik zijn verknocht aan het Groninger land''.

Zoon Leon is tevreden met de nieuwe locatie. Het is een ultramodern bedrijf, geavanceerde melkapparatuur en de koeien liggen op waterbedden om doorliggen te voorkomen. En het bedrijf is op de groei gebouwd. In de stal lopen nu nog tachtig koeien, maar er is ruimte voor honderd. ,,De grond en het bedrijf zijn in orde. Als we het financieel rond kunnen krijgen willen we melkquotum bijkopen'', vertelt Leon (27). Een kostbare kwestie, want voor twintig koeien extra moet de boer 1.360.000 gulden op tafel leggen. Volgens Wies Klijn heeft de Nederlandse veeteelt nog wel toekomst. ,,Nederland kan wel denken: we bouwen overal huizen en kopen de melk wel in het buitenland'', zegt ze strijdlustig.

,,Maar de mond- en klauwzeercrisis geeft aan hoe kwetsbaar de aanvoer is. De melkwagens rijden twee dagen niet en uit paniek zijn de schappen met melk in de supermarkten leeg. Ik begrijp alleen niet waarom de voortbrengers van dat voedsel zo stiefmoederlijk worden bedeeld.''

De familie Klijn staat kritisch tegenover de Blauwe Stad. ,,Nederland heeft te weinig grond en nu zet je 1.500 hectare grond, zwaar bevochten op de zee, onder water'', zegt Wies Klein. ,,Dat is bizar.''

Haar zoon nuanceert het argument van de Groningse beleidsmakers, dat er geen toekomst is voor de agrarische sector. ,,Dat geldt voor de akkerbouw, niet voor de veeteelt. Je zag een trek van veeboeren vanuit het zuiden en westen van het land naar Groningen. Het gebied dat nu de Blauwe Stad wordt had ook de melkkamer van Nederland kunnen worden. Prestige heeft het afgelegd tegenover boerenwijsheid.''

Veertig procent van de Nederlanders woont in een stedelijke omgeving, veertig in een landelijke omgeving en twintig in iets wat het CBS een ,,matig-stedelijke omgeving'' noemt. Wat zij van het platteland verwachten, is niet een soort fabriekshal in de openlucht, een productiemachine van voedsel, maar een landschap waar graan en melk in harmonie met de natuur tot stand komen.

LTO-voorzitter Doornbos is boerenzoon. Zijn zoon runt het akkerbouwbedrijf waar vader Doornbos mee is begonnen toen zij van het Groningse Midwolda verhuisden naar Nagele in de Noordoostpolder. Vanuit zijn ruime kantoor in Den Haag heeft hij royaal zicht op het bos en, bij goed weer, het Noordzeestrand. ,,Het zou vreemd zijn als hier geen intensieve landbouw was. We hebben een zeer gematigd klimaat, een vruchtbare bodem en een dichtbevolkt gebied, waardoor je veel consumenten in de buurt hebt.'' En natuurlijk is Nederland door zijn ligging en geschiedenis bij uitstek een handels- en distributieland.

Driekwart van de Nederlandse agrarische productie is voor de export, twee van de drie boeren produceren daarvoor. Het overgrote deel van die export blijft binnen Europa – alleen voor de zuivel is Nederland ook de grootste exporteur daarbuiten. Op lijstjes figureert Nederland na de Verenigde Staten als grootste agrarische exporteur ter wereld, al geldt dat volgens Doornbos voor de waarde, niet de volume. Tegen giganten als Frankrijk en in mindere mate Duitsland, kan Nederland niet op – zeker als het gaat om goedkope bulkproductie zoals bieten en zelfs levende varkens – leggen Nederlandse boeren het op de wereldmarkt af, hun producten zijn te duur.

Zowel Doornbos als oud-minister van Landbouw Gerrit Braks vindt dat Nederland van twee walletjes kan eten: én intensieve landbouw houden én aan de wens van kritische consumenten voldoen. Wel zal de intensieve varkenshouderij teruglopen, vermoedt Doornbos. Nu al maken veel varkenshouders gebruik van de gunstige opkoopregelingen, waarbij ze varkensloodsen kunnen slopen en in hun plaats woningen bouwen. Strenge nieuwe regels maken het haast onmogelijk om de varkensstapel nog verder uit te breiden, en de eisen aan de leefomstandigheden van de dieren worden ook steeds strenger.

LTO Nederland pleit voor een `multifunctioneel' ruimtegebruik, dat moet voorzien in agrarische productie, natuurbeheer, bevordering van dierenwelzijn en recreatie. ,,Maar dan moet iedereen in de productieketen zijn verantwoordelijkheid nemen: niet alleen de boer maar ook de supermarkt en de consument. Er is wel een tegenstelling tussen maatschappij en boer.'' De boer is weliswaar te gesloten geweest, te defensief, zegt hij, maar de consument moet zijn kant van de deal waarmaken: hij moet bereid zijn te betalen voor producten die voldoen aan de hoge ethische en milieu-eisen die Nederland aan landbouwers stelt.

De burger koestert bovendien tegenstrijdige verwachtingen van de boer. Doornbos: ,,Als we de ammoniakuitstoot willen terugbrengen, moet je dieren klein behuizen, op een glad, schoon oppervlak, tussen beton en roestvrij staal. Dat staat haaks op die andere wens om het dier meer ruimte te geven in een meer natuurlijke omgeving.''

Sinds de varkenspest zijn veel boeren ervan doordrongen dat zij zonder een zekere maatschappelijke waardering niet zullen overleven. Nu zijn er varkensboeren die gasten uitnodigen om in `skyboxes' een kijkje in de stallen te nemen en er camera's ophangen om de consument via internet te overtuigen van hun goede bedoelingen.

Misschien zal blijken dat de mond- en klauwzeercrisis het imago van de boer ten goede is gekomen. Stedeling en boer vinden elkaar nu in hun afkeer van het afmaken en niet vaccineren van dieren die er nog gezond (en aaibaar) uitzien. Doornbos: ,,De boer is nu meer dan de boosdoener alleen.''