Wij zijn dom

China koestert zijn minderheden, maar doet dat met bijbedoelingen. De Han-Chinese meerderheid benadrukt het primitieve van de minderheden om zelf vooruitstrevend te lijken. De etnische eenheid van China is een mythe, blijkt uit het verhaal van de Yi.

Het dochtertje van de partijsecretaris heeft de buitenmuur van haar ouderlijk huis als schoolbord in gebruik. `Ik houd van Peking, ik houd van Tiananmen', staat er in wit krijt met grote hanenpoten geschreven. Ze heeft de beroemde poort op het Plein van de Hemelse Vrede in de Chinese hoofdstad er naar eigen fantasie bijgetekend: een sierlijk huisje met vierkante ramen en een grote ster op het dak. Het is in onschuld op het gele leem gekrabbeld, maar het ziet er vreemd uit in dit dorp op drieënhalfduizend kilometer afstand van Peking. De macht van het centrum reikt tot in alle uithoeken van het Chinese imperium: zelfs hier moeten de kinderen leren houden van Tiananmen.

Ex-partijsecretaris Ayu Moyang en zijn dochter behoren tot de bijna acht miljoen Yi, een van de 56 door de regering erkende etnische minderheden. Het verhaal van de bevolkingsgroep, die groter is dan de Tibetaanse of Mongoolse, is onbekend, maar illustratief voor de manier waarop de Chinese regering met 's lands minderheden omgaat. De Yi (die in het Liangshan-district in het zuidwesten van China wonen) zijn in naam autonoom, maar economisch achtergesteld. En ze lijden aan een diepgeworteld gebrek aan zelfrespect.

Ayu Moyang spoedt zich naar zijn lemen huis om aardappelen te poffen voor zijn onbekende gasten. De rook van het vuurtje van droge varens doet de gezichten oplichten van Ayu's echtgenoot, drie dochters en zoon. Opmerkelijk genoeg heeft het partijlidmaatschap hem weinig goeds gebracht. Hij is misschien de best geschoolde inwoner van Guduixiang [koe-dwee-sjang], hij heeft immers de lagere school afgemaakt, maar de welvarendste is hij zeker niet. Zijn huis is het enige in het dorp dat nog van leem is, en hij en zijn gezin zien er armer en hongeriger uit dan de rest van de uit nieuwsgierigheid toegestroomde dorpsbevolking. ,,Een kip kost zeven yuan per pond'', zegt hij. Dat is omgerekend ruim twee gulden – veel geld voor hen. ,,Eens in de vier weken eten we vlees. Maar vroeger aten we het nooit.'' Toch heeft hij, na tien jaar trouwe dienst, zijn werkzaamheden als partijsecretaris opgegeven. De acht gulden die hij er maandelijks mee opstreek was te weinig en de voordelen die hij als kaderlid had gehoopt te genieten, waren hem tegengevallen.

Hij is er niet minder loyaal om. Aan de partij heeft hij persoonlijk misschien niets gehad, maar de Yi-bevolking is er dankzij de hulp van de communisten wel degelijk beter van geworden, vindt Ayu. ,,We genieten een hoge mate van zelfstandigheid'', zegt hij, maar erg overtuigd klinkt hij niet. Wat zijn de voordelen van de autonomie? Ayu wentelt de aardappelen in het vuur, maar weet zich geen raad met die vraag. ,,Je kunt toch meer dan één kind krijgen?'' helpt Xiao Wu, een Chinese fotograaf en mijn gids, hem ongeduldig op weg. ,,Je hebt toch belastingvoordelen? Je hoeft toch niet te betalen voor het onderwijs van je kinderen?'' Ayu knikt bevestigend, maar hij lijkt zich pijnlijk bewust van de jammerlijke economische toestand in zijn gezin. ,,Hier leven we anders dan de Han-Chinese meerderheid'', zegt hij tenslotte. Hij wijst naar de Chinese fotograaf. ,,Han-Chinezen zijn veel slimmer dan wij. Ik heb een keer lotuswortel verkocht in de grote stad. De huizen waren er zo geriefelijk! De straten waren verhard en overal was elektriciteit. Alles is daar beter dan hier.'' Dan zwijgt hij weer. Hij steekt een aardappel in zijn mond en kauwt de stilte weg.

Doorrijden! Gasgeven!

De auto komt met gierende remmen tot stilstand. Er ligt een grote boomstam dwars over de weg. ,,Doorrijden, doorijden!'' beveelt fotograaf Xiao Wu. Met een razende vaart vliegt de auto in z'n eerste versnelling half om en half over het obstakel heen. ,,Gasgeven!'', roept hij paniekerig. ,,De Yi zijn een gevaarlijk volk!'' Xiao Wu heeft zich de hele rit al zorgen gemaakt. We zijn twee dagen onderweg en bevinden ons diep in de bergen van Liangshan. Het is laat en we zijn al kilometers lang niemand tegengekomen. Xiao Wu is bang voor een overval. Een politiepost onderweg had ons daar eerder al voor gewaarschuwd. ,,Vandaag zijn twee Yi geëxecuteerd'', had een dienstdoende agent gezegd. Ze hadden een overval gepleegd op een van de vrachtwagens die in een slakkengang over een bergpad kropen. ,,Ze zijn arm en voor niets en niemand bang'', wist de agent. En Xiao Wu zag al zo tegen de reis op.

Xiao Wu heeft, net als velen onder de Han-Chinese meerderheid, een lage dunk van de Yi. Als fotograaf heeft hij hen vaker bezocht (,,Ik ben gefascineerd door het primitieve''). Maar iedere keer dat ik met een Yi in gesprek raak, dan interrumpeert hij hinderlijk en raadt hij mij aan minder te praten en meer te kijken. ,,Ze zijn ongeschoold. Zij hebben niets interessants te melden'', verklaart hij. Zijn kennis over de bevolkingsgroep blijkt zich te beperken tot uiterlijkheden en vooroordelen. De Yi zijn in zijn optiek weliswaar exotisch, maar verder vooral onderontwikkeld.

Naar de stellige overtuiging van Xiao Wu zijn zij beter af sinds zij onderworpen zijn aan het communistische bewind. ,,Veertig jaar geleden hielden ze nog slaven en gingen de mensen hier dood van de honger.''

Toen het Rode Leger in de jaren dertig dit gebied in het zuidwesten van China doorkruiste, was het nog stevig in handen van de Yi. Chinese annalen berichten dat de Yi tot halverwege de jaren vijftig Han-Chinezen ontvoerden en hen in dienst stelden als slaven. De communisten, die tijdens hun legendarische vlucht voor de troepen van de Nationalistische Kwomintang-rege- ring in 1935 op de Yi waren gestuit, hadden heel wat overredingskracht nodig om door Liangshan te mogen trekken. Uiteindelijk kregen ze toestemming, op voorwaarde dat de Yi het recht op zelfbeschikking zouden krijgen zodra de communisten aan de macht kwamen.

Net als de vele andere minderheden vertrouwden de Yi deze toezegging. In de Chinese grondwet van 1931, zoals die door de partij was opgesteld, garandeerden de communisten de nationale minderheden het recht op zelfbeschikking, afscheiding of zelfstandigheid. Maar niets bleek minder waar. Zodra ze in 1949 de Volksrepubliek China uitriepen, vergaten ze hun beloften. Er meldden zich meer dan vierhonderd etnische bevolkingsgroepen aan voor erkenning, maar slechts 56 werden oorspronkelijk en omvangrijk genoeg bevonden voor toekenning van de officiële status als `nationale minderheid'. Ze kregen de opdracht onder het motto `Verenig het Volk' als één man achter de partij te gaan staan. Enkelen, waaronder de Yi, de Tibetanen, de Mongolen, de Oeigoeiren, de Hui [Chinese moslims] en de Zhuang [uit Guangxi] mochten zichzelf autonoom noemen.

Rampentoeslag

Dorpshoofd Jiedou Weige (38) uit Bapucun [Baa-poe-tsoen], een dorp op een lang en ongenadig keienpad 55 kilometer bij Guduixiang vandaan, haalt zijn belastingboekje te voorschijn om uit te leggen wat de autonomie van de Yi volgens hem betekent. ,,Lage belastingen'', zegt hij met krakende stem. Hij slaat het beduimelde boekje open en leest voor. ,,Slachtbelasting per varken 2,40, rampentoeslag 90 cent, veevoederbelasting 1,24, zaaigoedbelasting 2,19.'' De jaarlijkse heffing van zeventien gulden is ongeveer een vijfde van wat Han-Chinese boeren gemiddeld moeten betalen. Dan wijst hij naar zijn kinderen. Hij heeft er drie – ,,Han-Chinezen mogen er maar één'' – en de staat betaalt hun onderwijs. Het huis dat hij zelf aan het bouwen is, wordt ook door de staat betaald, in het kader van een `campagne ter verfraaiing van het straatbeeld'. Alle Yi in de dalen langs de onverharde straten in het district hebben recht op zestig zakken cement wanneer zij hun lemen huizen afbreken. ,,Ons is ook nog elektriciteit beloofd, maar dat hebben we nog niet.''

Vrijwel alle voordelen die Jiedou Weige noemt, zijn economisch en hebben weinig te maken met de culturele eigenheid van de Yi. Behalve de groepjes Yi die nog in karakteristieke lange witte capes gekleed gaan, is er weinig wat duidt op een eigen cultuur. De Yi onderscheiden zich, behalve in armoede, weinig van de Han. Een enkele oudere heeft de haren nog in knotten op het voorhoofd gebonden, vrouwen roken pijp. Kleurrijke kleding die iets van een traditie verraadt, komt pas te voorschijn wanneer er iets gevierd wordt en daar waar het lokale bestuur het aanmoedigt.

Jiedou vertelt dat zijn kinderen op school naast Chinees ook Yi moeten leren lezen en schrijven. ,,Maar niemand gebruikt het'', zegt hij. In die zin is eigenlijk weinig veranderd. De meeste mensen in Liangshan spreken Yi, maar bijna niemand kan de bijzondere schrifttekens ontcijferen. De enige boekhandel in het nabijgelegen districtscentrum verkoopt welgeteld twee boeken in de lokale taal. ,,Als je wat wilt bereiken in deze wereld moet je Chinees leren'', zegt Jiedou. ,,Met Yi kom je nergens.''

Fotograaf Xiao Wu schudt zijn hoofd. ,,Die Yi hebben het gewoon veel te goed'', zegt hij. ,,Moet je kijken wat ik betaal voor het onderwijs van mijn dochter!'' Tegen dorpshoofd Jiedou zegt hij: ,,Jullie hebben het toch veel beter dan vroeger.'' Maar als de Yi worden gespekt met belastingvoordelen en gratis scholing, waarom heerst er dan zo veel zichtbare armoede en onderontwikkeling? Juist in die delen van China waar de nationale minderheden leven, leven negentig procent van 's lands armste onderdanen en heerst het hoogste percentage analfabetisme. Xiao Wu heeft daar wel een verklaring voor: ,,Autonomie'', zegt hij slim. ,,Ze hebben toch recht op autonomie? Nou, dan zijn ze ook zelf verantwoordelijk voor de manier waarop ze hun geld besteden. En blijkbaar doen ze dat verkeerd.''

Volgens Jim Weldon, een Britse sinoloog die twee jaar onderzoek naar de Yi van Liangshan heeft gedaan, is de oorzaak van de armoede subtieler. ,,De Chinezen benadrukken het primitieve van de Yi, opdat hun eigen cultuur vooruitstrevend lijkt.'' Dat geldt voor al China's minderheden, zegt hij. ,,Iedere poging tot vooruitgang is bij voorbaat gedoemd tot mislukken, want hoe kan een primitieve minderheidscultuur in godsnaam concurreren met het Han-Chinese succes?'' De voorkeurs- politiek is een goedmakertje die de schrijnende scheiding tussen Han-Chinezen en de minderheden in het land nooit kan overbruggen, zegt Weldon. ,,Je vraagt je af of dat ook de bedoeling is. De gebieden waar de minderheden leven zijn lastig bereikbaar, en de Chinese staat doet er weinig aan om te helpen bij het doorbreken van die vooral economische isolatie.''

Het sterkere ras

Na decennia van achterstelling hebben de Yi nog maar weinig zelfrespect. Zij zeggen zelf dat ze de Han-Chinezen beschouwen als ,,het sterkere ras''. Dakpanbakkers uit Longmenxiang [Loeng-men-sjang], een dorp in een plat en vruchtbaar dal van het district, brengen het als een grap, maar zijn het roerend met elkaar eens in hun oordeel over zichzelf: ,,Wij zijn dom.'' Als ze zijn uitgelachen, geeft Mahai Geibe (31), de enige van het stel met een diploma van de lagere school, uitleg. ,,De mensen hier leren niet graag'', zegt hij. ,,Als je niet studeert ben je tot je grond veroordeeld, maar studeer je wel, dan moet je op zoek naar een baan en concurreren met Han-Chinezen. De meesten van ons zien dat niet zitten.'' De arbeiders brommen instemmend.

Velen van hen kunnen meepraten over de gespannen verhoudingen met Han-werkgevers omdat zij – net als Mahai – in andere delen van China hebben gewerkt. ,,Ik heb een paar jaar geleden in de bouw gewerkt in Shenzhen, bij de grens met Hongkong'', zegt Mahai. ,,Het verdiende wel goed en het leven was er comfortabeler dan hier, maar er hoefde maar dít te gebeuren'', hij wijst het kleinste kootje van z'n pink aan, ,,of je stond op straat. Hier is het leven heel simpel. Ik verdien veel minder, maar ik heb altijd nog mijn land. Hier ben ik veel onafhankelijker.''

Volgens sinoloog Weldon is het niet opmerkelijk dat veel Yi neerkijken op hun eigen cultuur. ,,Als je, zoals veel minderheden in China, maar lang genoeg te horen krijgt dat je toebehoort tot een ludieke bevolkingsgroep, maar in vrijwel alle opzichten achterloopt, dan ga je je er wel naar gedragen.'' De Han-Chinese regering heeft de ongelijkheid in stand gehouden, zegt Weldon. ,,De Chinezen hebben veel kritiek op de arrogantie van de westerse mogendheden en hun onverminderde behoefte hun mening aan China op te dringen. Maar in hun eigen achtertuin doen ze precies hetzelfde, en waarschijnlijk met veel meer succes.''