Wetenschappelijk gehakt

De directeur van het onderzoeksinstituut kwam op bezoek. Het is een beminnelijke man en een eminent geleerde. Hij heeft een schuchtere oogopslag die mij altijd een beetje ontroert. In uiterst vriendelijke bewoordingen kwam hij vertellen dat er binnen vier jaar 12 procent bekrompen moet worden op onderzoek aan mijn Faculteit. Ongeacht de kwaliteit of de noodzaak, die 12 procent was volgens hem een hard gegeven.

Hoe kun je bezuinigen op onderzoek? Het eerste waar iemand aan denkt die gewoonlijk alleen huishoudelijke budgetten bestiert, is dan bezuiniging op tierelantijnen. Een laptopje minder, studiereisjes wat dichterbij plannen, een congres zonder buitenlandse gasten, dat levert toch wat op, zou je denken. Dat is dus verkeerd gedacht, die zaken maken de kosten niet uit. Echte besparing bereik je door onderzoekstijd af te nemen van leden van het onderzoeksinstituut.

Vrijwel elke wetenschapper aan een universiteit is voor een deel van zijn aanstelling lid van een onderzoeksinstituut. Elke faculteit heeft enkele van die instituten. De directeur daarvan koopt delen van aanstellingen in voor onderzoek. Daarvoor gaat hij naar de afdelingen van de faculteit, die geleid worden door een voorzitter. De afdeling is bij wijze van spreken de winkel waar onderwijs en onderzoek verkocht worden. Onderwijs wordt gekocht door de facultaire onderwijsinstituten met weer een eigen directeur. De Amsterdamse rector magnificus meent dat de indeling in afdelingen en instituten de kwaliteit van onderzoek en onderwijs bevordert. Ikzelf denk dat er alleen maar een onlogische structuur bedacht is die tot komische situaties leidt. Elke docent aan een universiteit is in drieën gehakt: hij is afdelingslid, lid van het onderwijsinstituut en lid van het onderzoeksinstituut. Een docent kan directeur van zijn eigen deel onderwijs zijn, tegelijkertijd zijn onderwijs moeten kopen bij de afdelingsvoorzitter en ondergeschikt zijn aan een andere directeur in zijn onderzoek. Als mijn onderwijzende deel ruzie krijgt met mijn onderzoekende deel kan ik het beste naar de psychiater.

Kan er zomaar onderzoekstijd van iemand afgepakt worden? Zijn mensen niet aangesteld met bepaalde contracten en overeenkomsten waarbij ze een garantie kregen om een deel van hun werk in onderwijs te stoppen en een deel in onderzoek? Dat is inderdaad zo. Grof gesproken worden de docenten geacht 50 procent van hun aanstelling te investeren in onderwijs, 40 procent in onderzoek en 10 procent in onnutte zaken zoals besturen. Geen mens die ooit die percentages kan bereiken. Onderwijs en commissies slorpen de dagelijkse uren op, en het onderzoek wordt uitgevoerd in nachtelijke uren en in de weekends. Gelukkige huwelijken in het academische leven bestaan alleen als de partner zelf ook aan de universiteit werkt en dus niet beter weet. Alle kindertjes van universitaire medewerkers met een volledige baan komen te kort. Als u om vijf over zes in de buurt van kinderdagverblijven achterop een fiets slapend wegzakkende peutertjes ziet, als u eenzame wichtjes hoort schreien terwijl het licht op een studeerkamer brandt, weet dan dat dat academiekinderen zijn. En toch kan dat deel van het werk dat toch al buiten de betaalde uren verricht wordt nog afgenomen worden.

Dat zou als volgt moeten gaan. Directeur onderzoeksinstituut vergelijkt de wetenschappelijke output van zijn leden. Wie te weinig gepubliceerd heeft, krijgt minder onderzoekstijd. Ontslaan aan de universiteit gaat niet zo makkelijk, dus dan zal de decaan besluiten zo iemand meer uren in het onderwijs te laten draaien. In plaats van 40 procent onderzoekstijd krijgt hij nog maar 10 procent. Dat de man of vrouw misschien juist meer onderzoekstijd nodig heeft omdat hij of zij te veel of te intensief onderwijs geeft, doet verder niet ter zake. Ook doet niet ter zake dat de directeur van een onderwijsinstituut helemaal niet meer mensen nodig heeft. Hij mag immers niet meer onderwijs produceren dan één module op twintig studenten. De afdelingsvoorzitter zit met het probleem. Hij krijgt te veel onderwijs in het aanbod, maar kan dat niet naar onderzoek overhevelen, want daar was juist bezuiniging nodig. Geen probleem, zegt de decaan, in een andere afdeling is nog wat onderwijzend personeel nodig, elke academicus moet toch op eerstejaarsniveau overal kunnen inspringen. En dus zal straks de classicus X die van zijn onderzoekstijd beroofd is behalve colleges aan zijn eigen studenten, ook nog propedeusecolleges kunstgeschiedenis of algemene literatuurwetenschap moeten gaan verzorgen.

Eigen schuld? Had X maar beter moeten onderzoeken? Hoe meet de universiteit of iemand een goed onderzoeker is die terecht deel uitmaakt van een onderzoeksinstituut? Daar blijken ongeschreven richtlijnen voor te bestaan. Jarenlang zijn die enigszins besmuikt gehanteerd. Iedere medewerker kon vroeger lid worden van een onderzoeksinstituut. Hij hoefde niet eens gepromoveerd te zijn. Als je een of twee wetenschappelijke artikelen per jaar schreef, was de kous af. Als er medewerkers waren die dat niet haalden, dan ging de hoogleraar van een leerstoelgroep zeer vertrouwelijk spreken met zo iemand. Het werd niet aan de grote klok gehangen, maar bleef binnenskamers. De hoogleraar probeerde te achterhalen of er echt niet nog een lezinkje onvermeld was gebleven bij de onderzoeksresultaten, hij verdedigde jarenlang getob aan proefschriften en voerde allerlei persoonlijke belemmeringen aan, zodat uiteindelijk iedereen lid kon blijven. Alleen zijn in de loop der jaren de ongepromoveerden verdwenen, meestal omdat ze uiteindelijk toch hun proefschriften voltooiden. Voor de enkele ongepromoveerden die overbleven, werd een persoonlijke regeling getroffen.

Maar nu wordt het menens. Er moet bezuinigd worden, en dan moeten er harde criteria zijn. Twee wetenschappelijke artikelen per jaar, ongeveer twintig bladzijden bij elkaar, dat wat vroeger de ongeschreven richtlijn was, zou nu voorwaarde worden. Het probleem is natuurlijk wat wetenschap is. Het collectieve minderwaardigheidscomplex van de alfa's roept dat er in de mensvakken helemaal geen wetenschap beoefend wordt. Het oude filologengeslacht verkondigt dat artikelen met veel noten wetenschappelijk zijn. De boekhouders willen dat bijdragen in bepaalde geselecteerde tijdschriften meetellen. Het poldermodel stelt voor dat alle publicaties die beoordeeld worden door een academische redactie meetellen. De megalomanen menen dat alles wat geschreven wordt door een academicus meetelt, de cynici dat er maar eerst eens een onderscheid gemaakt moet worden tussen kwantiteit en kwaliteit. De vriendelijke eminente onderwijsdirecteur weet ook niet zo goed hoe het nu eigenlijk moet.

Het is evident dat er artikelen geschreven worden die nieuwe inzichten in het vak geven, en artikelen die slechts verspreide gegevens samenvatten. Er zijn studies met een hoge amusementswaarde en grimmig geschreven overzichten met dezelfde wetenschappelijke status. Ik schrijf mijn studenten af en toe stukken voor die ik het liefst eerst zou herschrijven, zozeer schaam ik me voor het schuurpapieren Nederlands dat mijn beïnvloedbare pupillen onder ogen komt, maar toch kunnen ze inhoudelijk onontbeerlijk zijn. Er verschijnen doorwrochte bijdragen met tientallen noten die niet meer dan anekdotische waarde hebben. De wetenschappelijke status van een studie is moeilijk te meten, en blijkt soms pas vele jaren later. Bovendien kan een heldere stand van zaken evenveel waarde hebben als een stuk met nieuw onderzoek.

Een onderscheid naar tijdschriften werkt ook niet. Er kan geen hard onderscheid gemaakt worden tussen populariserende en academische tijdschriften, het verschil verloopt geleidelijk. In academische tijdschriften verschijnen soms detailstudies zonder enige uitstraling, in populariserende kan een nieuwe invalshoek belicht worden. Daarbij komt dat het aantal tijdschriften dat de academici ter beschikking staat de laatste jaren drastisch ingekrompen is. Voor Nederlandse literair-historici zijn er eigenlijk nog maar twee wetenschappelijke tijdschriften: Nederlandse letterkunde en Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde. Bij elkaar bieden deze tijdschriften samen zo'n 600 bladzijden per jaar om te vullen met artikelen, dus omgerekend kunnen hier ongeveer 30 medewerkers hun jaarlijks quotum in kwijt. Nu zijn er aan de verzamelde universiteiten veel meer dan 30 literair-historici, dus moeten er allerlei andere kanalen geopend worden om de verplichte productie in te dumpen: gelegenheidsbundels, congresbundels, papers. Inmiddels staat er een nieuw tijdschrift op stapel, helemaal elektronisch, zonder paginabeperkingen en toch met een strenge redactie. Als het niet allemaal zo triest was, zou een vergelijking met de boterberg, het mestoverschot en het doordraaien van tomaten op de lachspieren kunnen werken.

Wat nu? Ik denk dat het voor de meeste medewerkers geen enkel probleem is twintig academische pagina's per jaar te produceren. Dan zal het heel lastig worden om toch 12 procent weg te schaven. Het is het echter de vraag of iedereen wel mee wil doen of moet doen aan de productiedwang. De bedachtzame en de opgejaagde onderzoeker hebben beiden bestaansrecht. Waarom zouden de universiteiten de wijsheid van Horatius uit zijn brief Ad Pisones niet wat meer in acht nemen: Nonumque prematur in annum! Tot het negende jaar moet gij wachten met openbaar maken! Ik moet daar zelf niet aan denken, maar waarom zou iedereen even gehaast zijn als ik? Bezonken en rijpelijk overdacht, dat is toch de ware wetenschap.