`Wat moet dat moet'

Na ruim twintig jaar fietsen en nog eens fietsen, trainen en nog eens trainen, begint klassieker- winnaar en oud- wereldkampioen Adrie van der Poel (41) het wieler- seizoen dit jaar als televisie- commentator. `Jongens uit de stad kennen het weer niet.'

Het zweet staat op het hoofd dat uit het opengeschoven raampje van de fourwheeldrive steekt. Op het vuile gezicht is een brede grijns verschenen. ,,Ik was in het bos, efkes een uurke hardlopen. Gewoon de tijd vergeten'', zegt Adrie van der Poel met zijn hoge stem. Dan kijkt hij naar boven: ,,Het is er nou goed weer voor. Goed weer om te zweten.''

Het grote hek voor de riante villa wordt opengedraaid, de auto naar binnengereden. Twee honden, metgezellen tijdens het bosloopje, springen tegen hun lange, spichtige baas op. ,,Doe ik elke morgen, als ik tijd heb, een beetje lopen. Soms ook 's middags. Of ik ga een paar uurtjes op de mountainbike het bos in. Drie keer in de week, vaak met Erik Breukink die vlakbij woont. En dan op zondagmorgen met een clubje mannen een uur of drie een rondje doen. Niet hard, want die mannen kunnen dat niet hè: eens goed kop over kop in de wind rijden.''

Het verlangen om het lijf te bezweten, liever nog te pijnigen, is nog niet verdwenen. ,,Eenenveertig-en-een-half'' is hij nu, een jaar geleden gestopt met wielrennen en crossen. Maar fietsen, lopen, afzien en het lichaam uitputten blijft hij doen – zolang hij nog kan. Het is niet omdat het moet – die tijd is voorbij. Evenmin om van een verslaving af te kicken – ,,Je voelt je gewoon beter als je wat doet. En, pas op, geen grammetje vet méér, hé.''

Wanneer we in de serre achter een blikje cola (,,goed voor het herstel'') zitten, kijkt hij uit over zijn grote tuin, naar het grasveld en de bomen eromheen. Als een boerenzoon die heeft geleerd altijd naar de hemel te kijken, trekt hij zijn conclusies: ,,Goed weer vandaag.''

Volgende week begint in Vlaanderen de wedstrijdserie die hem vroeger zo bezighield. Hij hoeft er niet meer voor te trainen. Hij zit niet meer in het zadel, maar op de commentaarpositie. Het is voorjaar, om deze tijd zijn renners die een voorjaarsklassieker willen winnen altijd bezig met het weer. De Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Luik-Bastenaken-Luik, de Goldrace, de grote eendagswedstrijden in april, zijn steevast onderhevig aan de grillen van het klimaat. Daar dient een specialist in klassiekers zich tegen te wapenen.

Als Adrie van der Poel op een middag in maart zo eens naar buiten kijkt, wordt hij weer herinnerd aan al die voorjaarsdagen die hij beleefde tussen begin jaren tachtig en begin jaren negentig – de periode waarin hij jaarlijks tot de favorieten voor een overwinning in de klassiekers behoorde. Kilometers maken, zoveel mogelijk, in weer en wind. Zes tot zeven uur trainen, soms nog een extra tourtje voor het gevoel. Goed en verstandig eten en strikt volgens het schema 's morgens en 's avonds de bloeddruk meten.

,,Ik wist precies wat ik deed en waarom ik het deed. Ik hield alles bij in een schrift. Elke dag, 22 jaar lang, schreef ik op wat en hoeveel ik 's morgens had gegeten en gedronken, welke vitamines en mineralen, 's middags en 's avonds, hoeveel kilometer en hoe lang ik had getraind, wat voor weer het was, de bloeddruk 's morgens, de bloeddruk 's avonds. Ja, 365 dagen in het jaar. Elk jaar een schrift. Dus had ik op een gegeven moment 22 schriftjes.''

Wanneer hij zich gedurende een periode niet goed voelde, sloeg hij een schrift van een vorig jaar op. ,,Kon ik precies zien of ik hetzelfde had gedaan. Was dat het geval, dan was er iets mis met mijn lijf: een sluimerende infectie of misschien was het eten niet goed geweest. Dan ging ik naar de dokter. Vaak vond je dan meteen dat er iets mis was, kou gevat bijvoorbeeld en toch door getraind. Soms kon ik zien dat vorig jaar mijn pols lager was, dat ik zo en zo trainde en dat ik toch een slechte Ronde van Vlaanderen had gereden. Dan kon ik besluiten om het nu anders te doen. Zo was je elke dag bezig. Want het was toch je beroep.''

Een computer was kennelijk nooit aan hem besteed. Waarom? Hij kon toch schrijven. En hij had het toch altijd zo gedaan. In de regelmaat herken je de kampioen. ,,Maar als je je goed voelt, win je nog niet meteen een wedstrijd. In mijn beste Parijs-Roubaix werd ik achttiende. Ik had gewoon in de koers de verkeerde keuze gemaakt. Ik had te lang gewacht. Geduld is belangrijk, maar te veel geduld is funest. Dan heb je wel de pest in. Je was goed en je wordt maar achttiende. Nee, dan heb je eigenlijk niks aan zo'n schriftje. Juist dan heb je mensen nodig die je er weer bovenop helpen en tegen je zeggen: `Kom op Adrie, volgende week is Luik-Bastenaken-Luik, als je goed bent dan win je die toch.' En dan sprong je maar weer op de fiets.''

De veroverde bekers, beeldjes en medailles heeft hij nog wel, maar de schriftjes zijn bij het oud papier gegooid. Die 22 historisch waardevolle schriftjes, zomaar weggedaan? ,,Ja'', antwoordt hij nuchter, ,,de dag na mijn afscheid, vorig jaar, heb ik ze weggegooid. Ik had ze niet meer nodig. Ze waren toch voor mijn werk. En dat werk hoefde ik niet meer te doen.'' Hij grijnst schaapachtig en lijkt te blozen. ,,Ze zijn toch niks meer waard. Of wel soms?''

Het tekent de beroepsethiek van wegrenner en veldrijder Adrie van der Poel. Was wielrennen of – de laatste tien jaar veldrijden – dan vooral werk? ,,Nee, ik heb vanaf mijn zestiende plezier gehad in wielrennen, van de eerste tot de laatste dag. Ik heb veel gewonnen, klassiekers, etappes in de Tour de France, veldritten, het wereldkampioenschap veldrijden. Maar ik heb ook heel veel niet gewonnen. Ik deed het graag. En als je iets doet, moet je het goed doen. Ze noemden mij een trainingsbeest. Waarom? Omdat ik elke dag trainde en veel trainde en nog eens extra trainde. Dat is toch normaal als je wilt winnen.''

Vorig jaar stopte hij, al ruim veertig jaar oud. Toch nog bijna onverwacht – als veldrijder behoorde hij immers nog steeds tot de wereldtop. ,,Toch wist ik het: nou is het moment om af te haken. Ik heb lang genoeg gefietst. Na twintig jaar aan de top te hebben gestaan, kostte het steeds meer moeite om op niveau te blijven. De jeugd ging steeds harder rijden. Ik moest nog harder trainen. Meer dan twintig jaar bijna elk weekend weg. Mijn vrouw en twee kinderen moesten me ook maar eens zien. En het is goed zo. Ik heb genoeg te doen, voor mijn sponsor ben ik pr-werk blijven doen, voor de internationale wielerunie zit ik in de parcourscommissie voor veldritten, ik ben wielerverslaggever van Eurosport en ik ben trainer en elftalleider van de jeugd van een voetbalclubje hier. Bij mij wordt het nooit stil. Bij mij is het nooit stil geweest.''

Of het nu zomer of winter was, Adrie van der Poel zette zich op de fiets. Altijd bezig zijn met fietsen. ,,Wat moet dat moet'', zeggen wielrenners. Ze zeggen ook: ,,Als het niet gaat dan gaat het niet.'' Dat laatste zei Van der Poel niet gauw. ,,Als het regende en ik moest nog trainen, dan twijfelde ik weleens. Maar ik ging wél. Wanneer ik al weg was, en het begon te regenen, te stormen of te sneeuwen, dan dacht ik: ik ben nou toch weg, laten we maar doorgaan. Drie uren in de regen rijden, dat is niet toch zo slecht voor een mens? Van de winter was ik met Erik Breukink aan het fietsen. Begon het te stormen en vervolgens te sneeuwen. Verschrikkelijk. We zijn kop over kop naar huis gereden. Vloekend. Godver, wat een ellende. Maar toen ik thuis onder de douche was geweest en een biertje had gedronken, zat ik toch na te genieten.''

Het lijkt erop of hij altijd een tandje meer zette, of domweg ,,een halfuurke extra'' meer reed dan gepland. Nee dus, beweert hij. ,,Want ik hield me wel aan het schriftje en ik hield altijd de polsslag in de gaten.'' Met weer een verontschuldigende grijns. ,,Toen ik voor mijn eerste profjaar stond, heb ik in de winter extra getraind. Want ik ben geen afwachter: de eerste klap is een daalder waard. Ik ben geen aanpasser, want dan ben je te laat. Zo ben ik snel opgenomen bij de profs. Horen, zien en zwijgen en gewoon trainen en koersen.''

Hij herinnert zich hoe hij aan de vooravond van zijn eerste seizoen als beroepsrenner al in december, toen de meeste profs nog met hun benen op de bank lagen, fanatiek het trainen was. ,,Ik reed hier in de buurt. Het sneeuwde, je zag geen hand voor ogen. Kwam er een Citroën voorbij. Ik hoorde claxonneren en stak automatisch mijn hand op. Ik wist niet wie het was. Een paar kilometer verder stond die Citroën aan de kant van de weg. Ik kom aan rijden, wordt er lachend uit het raampje geschreeuwd: hé, Van der Poel, ben je gek? Bleken het Jan Raas en Cees Priem te zijn, ervaren profs dus. `Wacht maar, ik rij jullie er straks allemaal af.' Ik schrok van mezelf. Zoiets moet je nooit zeggen. Dan pakken ze je terug, want zo gaat dat in die wereld wanneer een broekie binnenkomt.''

Maar 1981 werd toch een goed jaar. ,,Ik won al meteen koersen. Zelfs een etappe in Parijs-Nice, in maart. De ouderen hadden natuurlijk niet graag dat ik won. Ik weet nog dat ik in een koers in Ichtegem wegsprong. Achter me zaten grote namen, Raas, De Vlaeminck en een paar kleine broeders, zoals Vandenhaute. Ik kon winnen, want die groten zaten alleen naar elkaar te kijken. Maar Vandenhaute kwam me elke keer halen. Niet om te winnen, maar omdat hij me het als jonkie niet gunde. Een nieuwe mag niet winnen.''

Maar wielrenners hebben een ijzersterk geheugen. ,,Vijf jaar later, in het jaar dat ik Ronde van Vlaanderen won, zit ik in Parijs-Roubaix voorop met Kelly, Dhaenens en Vandenhaute. Een kilometer voor de streep demarreert Vandenhaute. Niemand die hem wilde terugpakken. Ze keken alleen naar elkaar. Ineens schoot het door me heen. `Ho, '81, toen heb je mij een oor aangenaaid, vriend. Dat krijg je nu terug.' Toen ben ik hem gaan halen. Hij kwaad. Ik denk niet dat hij het nog wist van Ichtegem, ja vijf jaar eerder. Zo lang kan het duren voordat je wraak neemt. Kelly won toen in '86 Parijs-Roubaix. Liever Kelly dan Vandenhaute. Zo kan een koers lopen. En niemand begrijpt het. Zelfs Kelly heeft niet begrepen waarom ik Vandenhaute ging halen. Ik had het eerder kunnen doen. Maar in een kermiskoers heeft het geen zin. Je moet lang kunnen wachten. Zo is de koers. Soms wint iemand en je weet niet waarom. Dat heeft niks met geld te maken, wat mensen denken. Het zijn de geheimen van de koers.''

De ene renner gun je meer dan een ander, verklaart Van der Poel. ,,Als je zelf niet kunt winnen, en je zit in een kopgroep, probeer je toch het beste er voor jezelf uit te halen. Bijvoorbeeld zorgen dat er een wint die wil betalen. Want als je in een kopgroep zit betaalt de winnaar altijd. Hoeveel? Gewoon wat hij vindt dat hij moet betalen. Soms betaalt de winnaar niet of te weinig. Nou, dat is gauw bekend in het peloton. Dan wint hij nooit meer. Ik zie daar geen kwaad in. Het is een code. Doe je niet mee, dan kun je beter een ander beroep kiezen.''

Zijn grote concurrent in de klassiekers was jarenlang Sean Kelly, de Ier, ook een boerenzoon. Maar Kelly was ook zijn vriend, hoewel hij meestal in een andere ploeg reed. ,,We waren goed met elkaar. Het klikte gewoon tussen ons. Zonder iets te zeggen wisten we van elkaar dat alleen een van ons tweeën mocht winnen. Wij, met z'n tweeën, tegen de rest. Ja, pas op, alleen als je samen in een kopgroep zat. Zo heeft hij koersen gewonnen en ik ook, alleen hij meer dan ik. Maar altijd: de winnaar betaalt. Mensen die de koers niet kennen, doen er moeilijk over. Het is niet dat je een overwinning kan kopen. Dat gaat niet. Iedereen wil winnen. Als je renners ziet praten, hoeft dat niet met geld te maken te hebben. Ik deed het niet. Ik wist wat ik wilde. Als ik niet won, won een ander en die betaalde dan. Maar dat spreek je niet af. Daar ga je vanuit.''

Wat gaat hij dan de komende weken zeggen, wanneer hij als verslaggever van Eurosport in een beslissende ontsnapping van de Ronde van Vlaanderen of Parijs-Roubaix met elkaar ziet praten? ,,Ja, wat moet ik dan zeggen? Precies, wat ik nu zeg: `Praten in de koers, daar is niks verkeerds mee.' Ze praten, maar het kan ook zijn dat ze aan elkaar vragen of ze mee willen rijden, of ze willen winnen en hoe ze dat dan willen doen. Bedragen worden niet genoemd. Ik heb het nooit meegemaakt. Wat ik zei over geheugen, dat is belangrijker bij renners. Soms weet je echt niet waarom iets gebeurt in een koers. Dat is toch mooi? Hoe het nou zit? Waarom iemand wint of niet wint.''

Dat was toen. Maar is de koers niet veranderd? Zal hij als co-commentator van Eurosport behalve de namen ook de tegenwoordige verhoudingen nog wel voldoende kennen? En is de wielersport niet veranderd ten opzichte van pakweg tien jaar geleden? ,,Die is zeker veranderd. Er wordt zeker harder gereden en het is individueler geworden. Er zijn geen echte kopmannen meer. Vroeger reed de hele ploeg voor de kopman. Je had Moser, Saronni, Raas, De Vlaeminck, Kelly, Hinault. Ze waren niet alleen kopman omdat ze de koers konden winnen, maar ook omdat ze echte bazen waren, mannen met uitstraling. Zij konden de koers naar hun hand zetten. Dat is niet meer. De renners zijn nu meer aan elkaar gewaagd. De trainingsmethoden zijn verbeterd. Nu trainen ze allemaal door in de winter. Vroeger was ik een van de weinigen. Er zijn meer renners bijgekomen uit andere landen. Iedereen heeft het gevoel dat hij kan winnen. Daarom zien je ook andere winnaars. Ja, soms ken ik ze nauwelijks, zeker met die helmen en zonnebrillen die ze tegenwoordig dragen.''

Maar het gevoel er nog bij te kunnen zijn, overheerst. Gewoon nog tot de familie behoren waar hij ruim twinig jaar toe heeft behoord. Wat hij wel mist, is de spanning, de suspense, de onzekerheid of je wel kan winnen of niet kan winnen. Elke dag trainen, elke dag 's avonds voor het slapen het schrift bijwerken en de gegevens vergelijken met die van vorige jaren. Je goed voelen aan de start en toch slecht rijden in de koers. Het herkenbare ritme van de spanning en de ontspanning. Toen was er een duidelijk doel in het leven, nu is het onduidelijk. Niet dat hij klaagt. Hij klaagt niet. Hij heeft geleerd niet te klagen. ,,Zo ben ik opgegroeid. Als jongen op de boerderij kreeg ik geen tijd om te klagen. Ik moest meehelpen. Ik moest elke dag het tuig dat voor het koeienmelken wordt gebruikt schoonmaken, of je nu wilde of niet. Dat deed je. Ik moest naar school, van Hoogerheide naar Bergen op Zoom, vijftien kilometer op de fiets. Of het nou goed weer of slecht weer was, je deed het. Dat doe je en je denkt er verder niet bij na. Dat vormt je. Dat hebben jongens uit de stad niet. Die kennen het weer niet.''

Wat hem als jonge jongen wel dwars zat, was dat zijn oudere broer Jac zo hard kon fietsen en zomaar wedstrijden won. Adrie wilde ook zo hard fietsen, maar hij had niet het talent en zeker nog niet het inzicht om als wielrenner te winnen.,,Ik heb vanaf het begin dat ik fietste en mijn eerste koersfiets kreeg geweten dat ik er veel voor moest doen. Trainen, net zo lang tot ik meer getraind had dan de anderen. Als ik niet won, wilde ik de volgende keer winnen. Net zo lang tot ik had gewonnen. Zo ben ik opgegroeid, zo ben ik nog steeds.''

Klagen? Nee? Deze winter viel hij tijdens een fietstochtje in het bos. In zijn val kreeg hij een tak in zijn zij. Het was pijnlijk, pas 's avonds bij een etentje besloot zijn vrouw hem naar het ziekenhuis te brengen. Gescheurde nier, meteen naar de intensive care. Na een weekje rust en onzekerheid was hij weer de man, de nooit klagende wielrenner van weleer. ,,Ik was blij dat ik weer op de been was. Ik mag weer alles. Fietsen, lopen en voetballen. Het zal me niet overkomen dat ik niks meer mag. Dat zou niet best wezen.''

Midden in een van zijn verhalen sluipt een zwijgende vrouw voorbij. Het is Corinne Poulidor, dochter van de beroemde ex-Tourrenner Raymond Poulidor, ook een boer. Een beroemde ex-Tourrenner met een beroemde ex-klassiekerrenner en ex-wereldkampioen veldrijden als schoonzoon, dat moet stof tot gesprek opleveren. ,,Neu, alleen over wijn. Over de koers zwijgt hij. Hij heeft me met rust gelaten. Een makkelijke man, gewoon respect hebben voor anderen, nooit discussiëren en de dingen doen die je moet doen. Zoals ik.''

Adrie van der Poel geniet nu van zijn oudste zoon, als hij met hem voetbalt bij de club. Hij geniet van zijn jongste. Hij geniet, als hij maar bezig kan zijn. Men hoeft zich over hem geen zorgen te maken. Een villa met de kenmerken van een kasteel – net over de grens in België, waar rijke Nederlanders van hun comfort genieten – is zijn deel. Hij heeft er nauwelijks oog voor. Al twaalf jaar woont hij er, een ex-beroepswielrenner naast nouveau riche.

,,Toch goed geboerd, jongen'', is mijn compliment. Hij antwoordt als een beroepswielrenner. ,,Hoezo? Ik heb gewoon altijd mijn doelen gesteld. Ook dit huis. Als ik mezelf niet goed had verzorgd, als ik gekke dingen met mijn lichaam had gedaan, had ik het niet tot mijn veertigste volgehouden. Ik wist wat ik deed. Doping? Ze hebben een keer strychnine bij me gevonden. Je denkt toch niet dat ik dat bewust zou nemen. Zat in het duivenvlees dat ik toen at – wit vlees, goed vlees. Verder niks mis mee. De tweede keer was het efedrine, zat in een hoestdrankje. Daar moet je toch om lachen, zoiets onbenulligs.''

,,Luister'', praat hij verder. ,,Als een voetballer een spuit krijgt is het een pijnstiller. Als een wielrenner een spuit krijgt denken ze dat het doping is. Ik heb genomen wat ik moest nemen, vitaminen, ijzers, suikers, mineralen. Als je in de hitte vocht verliest, heb je niet voldoende aan water. Ik weet niet wat andere renners deden. Je hoort veel en je ziet renners op het buitenblad een berg op rijden waar ze vorig jaar nog moesten afhaken. Maar geloof mij, wat je ook doet en neemt of spuit, renners die nooit winnen gaan niet plotseling winnen omdat ze EPO of zo nemen. Misschien één keer, maar dan gaan ze toch kapot. Ik hield mijn lichaam liever gezond. En wat anderen deden, moesten ze zelf weten. Ik ben er altijd open over geweest. Ook toen ik gepakt werd. Als alle renners dat deden, had de wielersport niet zo'n slechte naam.''

Adrie van der Poel gaat niet gebukt onder het negatieve imago van de wielersport – zoiets past een nuchter man niet. ,,Ik heb altijd realistisch mijn doelen gesteld. Ik heb klassiekers gewonnen, ik ben wereldkampioen veldrijden geweest. Wat ik ervan geleerd heb, is dat je niks voor niks krijgt. Wil je meer krijgen dan een ander, dan moet je meer doen dan een ander. Ik zeg het tegen mijn zoon. Ik zie het als ik die jongetjes train. Een enkeling gaat na de training door met trainen. Als ik dat zie, zie ik mezelf. Als je bang bent nooit genoeg te doen, moet je doorgaan en word je beloond. Kijk om je heen. Dit is toch een goed huis?''