MENS EN KLAUWZEER

``De mens kan niet ziek worden door het mond- en klauwzeervirus, noch door contact met besmette dieren, noch door het eten van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong, zoals vlees en vleeswaren.'' Dat zeggen de hoogleraren dr. H.P. Haagsman en F. van Knapen van de diergeneeskundefaculteit van de Universiteit Utrecht in een persbericht van het Voorlichtingsbureau Vlees (26 maart).

``Het valt het Voorlichtingsbureau op'', schrijft dit lobbybureau van de vleessector, ``dat er [over MKZ] veel onjuistheden worden verkondigd door mensen die niet deskundig zijn op dit gebied, maar toch graag hun mening willen verkondigen.''

Minister Borst echter zei donderdagavond in een radio-interview dat de huidige minister van landbouw van Zweden als kind MKZ heeft gehad. De ouders van de minsiter waren boer en op de boerderij brak de ziekte uit. De latere minister kreeg blaasjes in de mond.

``Als Voorlichtingsbureau Vlees hechten wij er waarde aan u kennis te laten nemen van berichtgeving gebaseerd op wetenschappelijke kennis, zoals die van prof.dr. H.P. Haagsman en prof.dr. F. van Knapen,'' gaat het persbericht verder.

Het British Medical Journal, hoog in de hiërarchie van de medisch-wetenschappelijke tijdschriften, drukte echter op 10 maart een commentaar van drie infectieziektekundigen die een aantal gevallen beschrijven en refereren aan het laatste menselijke ziektegeval in Groot-Brittannië in 1966.

Ook in Nederland zijn patiënten beschreven. Het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) schreef in 1912 dat niet alleen ongekookte melk van koeien met MKZ bij mensen blaren in de mond veroorzaakt, maar dat zelfs gekookt de melk nog ongezond is en darmstoornissen veroorzaakt. In 1938 en 1941 nam het NTvG berichten op over `Mond en klauwzeerbesmetting bij den mensch'. Het zijn besprekingen van artikelen uit Duitse wetenschappelijke tijdschriften (o.a. het Archiv für Dermatologie und Syphilis) waarin vier patiënten worden beschreven. Vocht uit hun blaren werd bij cavia's ingespoten. Die dieren kregen ook blaren op poten en in hun bek, waarmee voor de toenmalige wetenschap de mond- en klauwzeer bewezen werd geacht.