`Liefde' garandeert dier nog geen prettig leven

Boeren houden van dieren, mensen zijn dol op hun huisdier: alle houders houden blijkbaar van hun dieren. De actualiteit laat echter zien dat `dierenliefde' er bepaald niet garant voor staat dat dieren vrolijk door het leven gaan, meent Berry Spruijt.

Grijpers, omvallende koeien, brandende kadavers staan op ons netvlies gebrand. Deze beelden kunnen veel losmaken. Ook taferelen die met transport en handel van exotische dieren te maken hebben, kunnen de gemoederen verhitten. Beelden van de gang van zaken in een slachthuis of van omstandigheden in een `normale' houderij zouden dat ook kunnen, maar daar worden we meestal niet mee geconfronteerd, zodat we ongestoord van goedkope dierlijke producten kunnen genieten.

Afgezien van uitzonderlijke situaties, worden in Nederland honderden miljoenen dieren gehouden en gedood. We zijn er goed in geslaagd om deze grote aantallen dieren aan ons blikveld te onttrekken: wie ziet nog een kip of een varken? Ook het verplaatsen van grote aantallen dieren valt nauwelijks op.

De boeren houden van hun dieren, is een veelgehoorde uitspraak. Huisdierbezitters houden de dieren sowieso voor hun plezier en sparen vaak kosten nog moeite om deze dieren aan te schaffen en lang in leven in te houden. Alle houders houden blijkbaar van hun dieren. Toch denk ik dat er grote verschillen zijn in dierenliefde. Het is moeilijk voorstelbaar dat iemand die duizenden dieren houdt om ze met de regelmaat van de klok naar de slachterij te brengen, hetzelfde bedoelt als iemand die slechts een enkel dier in huis heeft.

De actualiteit toont aan dat `dierenliefde' er niet garant voor staat dat alles goed gaat met de dieren. Op alle terreinen doen zich problemen voor, niet alleen op dat van landbouwhuisdieren, zoals varkens en koeien, ook gezelschapsdieren hebben allerlei genetische gebreken, meestal door de mens opzettelijk veroorzaakt door zijn typische wijze van fokken, omdat we een afwijkend (en onnatuurlijk) uiterlijk `mooi' vinden. Dierenliefde lijkt ook te betekenen dat we het object van deze liefde vervormen tot iets wat het niet is. Huisdieren moeten een hoog aaibaarheidsgehalte hebben. Desnoods worden ze daarop geselecteerd, zodat wat oorspronkelijk een roofdier was een soort marmot wordt, niet te groot, niet te lastig en leuk voor de kinderen. Landbouwdieren worden vervormd tot productiedieren, waarbij onder meer groei, productie, voortplanting de criteria vormen. Het welzijn van landbouwhuisdieren is goed als ze gezond zijn.

De huisdierbezitter vindt het al gauw goed als zijn huisdier meegaand is, en hij zichzelf er goed bij voelt. Onze dierenliefde heeft een egocentrisch trekje en dat is mede de oorzaak van veel welzijnsproblemen. De betrekkelijkheid blijkt ook uit grote culturele verschillen. Wij eten geen honden, maar er is weinig reden om varkens anders te behandelen dan onze huisdieren.

Wat is welzijn en is het meetbaar? Een dier dat geen enkel teken van plezier toont, al is het nog zo gezond, is geen gelukkig dier. Ondanks de selectie op specifieke kenmerken: uiterlijk (huisdieren) of groeisnelheid (kippen) zijn dieren natuurlijk nog steeds dieren met hun eigen soortspecifieke kenmerken en behoeften. Een kip wil stofbaden, scharrelen en in familieverband rondlopen. Een varken wil wroeten, modderbaden en ook liefst in familieverband leven. En jonge dieren willen een bepaalde tijd bij de moeder blijven, en spelen. Waar en wanneer kan dat nog?

De manier waarop wij dieren houden is toegesneden op beperkte doelen en maar zelden is bij houders van huisdieren en landbouwhuisdieren sprake van emoties over de rigoureuze beperkingen die zij aan hun dieren opleggen. De troosteloze stangen, kale vloeren met dichtopeengepakte dieren in sombere verblijven en de eindeloze stressvolle transporten vermochten tot dusverre niet de emoties op te wekken, die nu, ook van de zijde van de houders, zichtbaar worden. Maar het heeft er alle schijn van dat het niet alleen gaat om het individuele dier maar ook met het mogelijk verlies van het eigen bedrijf. Immers, altijd speelden de economische belangen een dominerende rol in het traineren van ook maar de geringste verandering. Centimeter voor centimeter worden de hokken vergroot en de overgang naar groepshuisvesting van dieren verloopt langzaam.

Iedereen kan iedereen verwijten maken. De burger, die ook consument is, verwijt nu de sector dat dieren op een dieronwaardige wijze gehouden worden. De houders verwijten de burgers dat zij willens en wetens goedkope producten kopen en hun eigen huisdieren soms niet veel beter houden. De melkveehouders verwijten de varkenshouderij dat zij exportbelangen belangrijker vinden dan hun dieren.

Een dier doden voor een goedkoop product wordt acceptabel gevonden, zinloos doden is iets anders. Maar zijn die producten zo belangrijk dat zij het houden en doden van dieren rechtvaardigen? Is wit kalfsvlees of een ei voor een prijs die al dertig jaar hetzelfde is een primaire levensbehoefte? Is het houden van een sociaal dier in afzondering van soortgenoten zo belangrijk dat om die reden intelligente en sociale dieren (papegaai) in een huiskamer voor jaren wordt opgesloten?

Het probleem ligt bij de kortzichtige emotionele betrokkenheid van de mens. Onze liefde voor het dier wordt al gauw verward met emotionele betrokkenheid bij onze andere wensen. Geld verdienen aan of plezier hebben van dieren betekent dat wij dierenwelzijn mede vanuit dit `eigen belang' gaan zien. Emoties zijn waardevol en kunnen en moeten een richtsnoer zijn voor wat goed en fout gevonden wordt. Emoties moeten ook serieus genomen worden, maar ze zijn in hun ruwe vorm geen argument op zichzelf; ze moeten reden zijn om argumenten te bedenken; waar komen ze vandaan, zijn ze overtrokken of tegenstrijdig of het topje van een ijsberg. Het enige wat de mens van dieren onderscheidt, is wellicht het feit dat de mens er iets meer over kan nadenken wat hem beweegt. Het is nodig om de beperkingen en vervormingen van de menselijke primaire reactie op indringende beelden onder ogen zien als het om dieren gaat.

Kennis van dieren en inzicht in de mening van mensen en hun gevoelens met betrekking tot dieren is nodig. Dit moet leiden tot een duidelijk onderscheid tussen de belangen van het dier en die van de mens. De belangen van het dier in termen van welzijn liggen in zijn aard, zijn soortspecifieke kenmerken en behoeften, en moeten vanuit het perspectief van het dier gewogen worden. Het perspectief van een dier is anders dan dat van de mens en vereist kennis van dieren en diergedrag. De belangen van de mens liggen op het terrein van geld, kennis (proefdieren), esthetiek of hebben te maken met een sociale behoefte.

Na een onderscheid tussen de belangen van de mens enerzijds en die van het dier anderzijds moet een afweging plaatsvinden. Het inschatten van het welzijn van een dier kan niet alleen aan de houder worden overgelaten, omdat zijn belang om het dier te houden zijn opvatting over het wel en wee van het dier beïnvloedt. De huidige onvrede met de situatie moet de motor zijn om andere keuzes te maken. Dat moet tot een zodanig beleid leiden dat, als de aandacht weer verslapt omdat de indringende beelden van de buis verdwijnen, we niet weer vervallen in gemakzuchtig en impulsief koopgedrag.

Er bestaat een sterke tendens voor elk afzonderlijk probleem een ad hoc oplossing te zoeken, wat resulteert in inconsistent en ongeloofwaardig beleid. Nu hangt het lot van een willekeurig konijn af van het feit of het als huisdier, als consumptiedier, als proefdier of als object voor de jacht fungeert. Telkens gelden geheel andere regels of vaak ook geen. Bij gebruik als laboratoriumdier is er een ethische commissie die het ongerief afzet tegen het belang van wetenschappelijk onderzoek. De wet op de dierproeven zou zo als voorbeeld kunnen dienen voor andere diergroepen. Er moet een duidelijk orgaan komen waar de belangen van mens en dier objectief gewogen worden.

Er is een parallel te trekken met het milieu. Producten waarvan de productie milieuonvriendelijke aspecten heeft gekend, horen niet in de supermarkt te liggen. Er moeten minimumeisen gesteld worden aan producten waar de burger uit kan kiezen Desnoods moet een extra heffing ervoor zorgen dat een productiewijze dierwaardig is – het `kwartje van Brinkhorst'. Een goed milieu begint bij jezelf, dierenwelzijn ook; beide verdienen verstandige en op de lange termijn gerichte aandacht.

Prof. B. M. Spruijt is hoogleraar Ethologie en Welzijn Dieren aan de Universiteit utrecht en de Universiteit Wageningen.