HET PUBLIEK

Stemverheffingen zijn taboe langs de waterkant. Sportvissen is, meer dan enig ander tijdverdrijf, een ode aan de stilte.

Een vlucht uit de hectiek van alledag, dat ook. Al is het vooral de sluimerende angst dat hun prooi rustiger oorden verkiest, die doorgewinterde hengelaars ertoe dwingt de kaken stijf op elkaar te houden. Roerloos turen zij daarom naar hun dobber of verklikker, en mompelen af en toe wat onverstaanbaars naar de al even zwijgzame buurman, die een paar meter verderop `een prima stekkie' meent te hebben gevonden. Wie zich nietsvermoedend langs de oevers van een willekeurige beek, rivier of vijver ophoudt, waant zich dan ook in een stomme film. Belangstellenden worden gedoogd op voorwaarde dat ze praten op fluistertoon, en dan bij voorkeur in het potjeslatijn dat de visser eigen is. Een wereld die eigen taal en codes koestert, een wereld van `vlonders' en `zinkers'. Vraag vissers ook niet naar hun geheimen, want die geven ze niet prijs. Vooral vragen over de samenstelling van het lokaas zijn taboe. De één geeft de voorkeur aan een mengsel van geschoonde duivenmest, paneermeel en zaden, een ander zweert bij een cocktail van zachtgekookte aardappels, een scheut jenever en een handvol maden en larven. Wat vissers ook niet vertellen: hoe ze uren aan de waterkant hebben gezeten en niet één keer beet hebben gehad. Maar dat hoeft niemand te weten. Daarom geldt: hoe minder pottenkijkers, hoe beter.

Aflevering 24 van een serie over publiek