Grote mond

Vorige week reageerde ik op de bewering van Frank Kalshoven, adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, dat onderwijs dankzij zijn grote mond niet te klagen heeft over gebrek aan geld. Hij lichtte deze stelling toe met cijfers die het tegendeel aantoonden. Reden blijkbaar voor hem het een week later over een andere boeg te gooien. Bij die koerswending maakt hij gebruik van cijfers uit een artikel van de Rotterdamse hoogleraar Leune. Daaruit blijkt dat de voor inflatie gecorrigeerde uitgaven voor het voortgezet onderwijs tussen 1980 en 1990 per leerling daalden van 100 naar 90 en vervolgens, na 1990, weer aantrokken naar 99. Er valt dus niets te klagen, aldus Kalshoven, de uitgaven per leerling zijn wat die sector betreft per saldo zowat gelijk gebleven.

Louter op basis hiervan te suggereren dat sprake is geweest van een stabiele ontwikkeling getuigt van ergerlijk simplisme. Wat is namelijk het geval? Leraren hebben er tientallen jaren voor nodig hun maximum salaris te bereiken. Hoe ouder de gemiddelde leraar, hoe duurder dus het onderwijs. Tussen 1980 en 1995 steeg het aandeel van de 45-plussers onder de leraren in het voortgezet onderwijs van 25% in 1980 naar 40% in 1990 en vervolgens verder naar 60% in 1995. Het overwegend jonge docentenbestand uit 1980 is constant verouderd, een proces dat overigens nog steeds doorgaat. Ondanks al die evident hogere gemiddelde salariskosten heeft men de uitgaven toch nog weten te stabiliseren. Hoe slaagde men daarin? Door het werk met veel minder mensen te gaan doen. Want dat is de enige manier om op een begrotingspost waar meer dan 85% van de kosten personele uitgaven betreft, substantieel te bezuinigen. Kleine scholen werden opgeheven en de rest tot grotere eenheden samengevoegd; alle scholen mammoetscholen met mammoetklassen. Bij die operaties zijn veel mensen op straat komen staan. In 1990 bereikten de wachtgelduitgaven met zo'n 4% van de personele kosten, een hoogtepunt. De kosten van deze wachtgelders drukken ook op de begroting van het ministerie. Nog meer mensen eruit dus, in combinatie met verdere verslechtering van de arbeidsvoorwaarden in vergelijking met die van ambtenaren, die op hun beurt ook al achterbleven bij de markt. Het gevolg van dit alles? Dat het onderwijs de meest vergrijsde sector is van onze samenleving, en dat die verzamelde vijftigers dezelfde klus opknappen die ze vroeger, als dertigers, deden, toen ze ook nog eens met veel meer waren.

Treurig dat ook Leune dit allemaal niet in de gaten schijnt te hebben. Die maakt zich vooral druk om de sector waar de professor zelf werkt: het tertiair onderwijs, waar de werkomstandigheden koninklijk zijn in vergelijking met die in het voortgezet onderwijs.

Kalshoven: `Geldgebrek is het probleem niet. Slechte organisatie is het probleem.' Wat horen we vervolgens enkele dagen later uit de mond van de directeur van het Centraal Planbureau? Dat het probleem in het onderwijs niet is een tekort aan geld, maar een gebrek aan efficiency. Middelen kunnen nooit efficiënt genoeg worden besteed, dat geldt voor onderwijs net zozeer als voor planbureaus, maar dat neemt niet weg dat met name het voortgezet onderwijs wonderen verricht met het naar internationale maatstaven gemeten weinige geld dat we ervoor overhebben. Althans, we leiden een groot deel van de leerlingen op tot een heel behoorlijk niveau. Daar staat overigens tegenover een dramatische uitval uit met name de lagere regionen van het onderwijs; iets wat ons als maatschappij nog wel eens heel duur zou kunnen komen te staan.

prick@nrc.nl