De hipste geest aller tijden

Geen Nobelprijs voor Bob Dylan, maar wel een Oscar. De zanger (bijna 60) kreeg er vorige week één voor Things Have Changed, zijn apocalyptische `blues shuffle' uit de film Wonderboys. Op het Oscar-gala in Hollywood bracht hij het nummer per satelliet ten gehore, met oudtestamentisch charisma. De zaal vol radijs knabbelende filmsterren zag een archaïsche onheilsprofeet, met een zeemleren gezicht, snerende mondhoeken en ogen van napalm, die hen voorhield dat ,,als de bijbel gelijk heeft, de wereld ontploft''. Na afloop bedankte hij het Oscar-comité voor ,,de durf'' om een nummer te bekronen dat ,,geen doekjes windt om de aard van de mens''. Gesticht konden de tycoons zich daarna laven aan hun favoriete, in New Age gesausde knuppel- en hakfilm, Gladiator.

Tegendraadsheid zag er zesendertig jaar geleden anders uit. Toen, in april 1965, kwam Dylan met zonnebril en grijnzend als een psychedelische beatnik aan op het vliegveld van London, om de verzamelde pers aan de vooravond van een korte tournee in de maling te nemen met grappen over de `boodschap' van zijn werk. Die was: `Hou je hoofd koel en draag altijd een lampje bij je'. Dylan, net overgeschakeld van folksongs op surrealistische poëzie en elektrische rock, was toen het toonbeeld van cool: sarcastisch, wild èn intellectueel, de vleesgeworden burgerschrik. Ook Dylans verwijzingen naar de bijbel – toen al! – en zijn haatdragende teksten over gewezen vriendinnen waren nog eerder arrogant dan levensmoe of cynisch. De gedesillusioneerde doemdenker zou pas jaren later tot wasdom komen, na het afschudden van de jezusverering die hem ten deel viel, een drugsverslaving, een echtscheiding op orkaankracht, en een bekering tot de fundamentalistische Heer.

Don't Look Back, de cinema verité registratie die D.A. Pennebaker maakte van de (nog geheel akoestische) Britse tournee in 1965, is een prachtig portret van Dylan als hipste geest aller tijden, een kwikzilveren criticus van de burgermaatschappij. Pennebaker kreeg toegang tot de coulissen, de kleedkamer en Dylans suite in het Savoy Hotel, waar het een komen en gaan was van managers, vrienden, kunstenaars, meelopers en beroemdheden uit de Britse muziekwereld. Klassiek zijn de scènes waarin een geïrriteerde, opgefokte Dylan een journalist van het weekblad Time verbaal aftuigt, en, later, met zijn vampier-achtige entourage, wat betergemutst een student annex bewonderaar in het nauw drijft. De student nam naderhand wraak door een eigen platenmaatschappij op te richten (Chrysalis Records) en miljonair te worden. Leerzaam in de anderhalf uur durende zwart-wit film zijn verder de bijna aandoenlijke kleinschaligheid van de toenmalige popwereld (een handjevol fans onder het hotelraam), en de irritante arrogantie van Dylans aanhang, die ten koste gaat van de burgerlijke pers, het hotelpersoneel, Dylans gewezen minnares Joan Baez, en van de imitator Donovan, die ook een nummertje wil spelen. Dylan zelf blijft een raadselachtig middelpunt van de nerveuze actie, die zich soms van een onverwachte kant toont. Let op zijn woede als de feestbeesten in zijn hotelkamer glas op straat gooien, en op de geamuseerde, wellevende manier waarop hij sommige Britse bewonderaars te woord staat. De apocalyps was nog ver weg.

Don't look back, VPRO, zaterdag, Ned.3, 1.00-2.35u.