Blonde mummies uit Xinjiang

In de Takla-Makan-woestijn in Chinees Turkestan zijn zeer goed bewaarde mummies gevonden, gehuld in kleurige kledij. Ze zijn tot 4000 jaar oud en zien er `Europees' uit. Wie waren ze en waar kwamen ze vandaan?

TOEN DE sinoloog Victor Mair in de zomer van 1988 op een van zijn archeologische trektochten door West-China weer eens het museum in Ürümqi bezocht, wachtte hem een daverende verrassing. Aan het eind van de afdeling archeologie was een nieuwe zaal ingericht en toen Mair de gordijnen opzij schoof en de slecht verlichte ruimte binnenstapte, stond hij opeens tussen de mummies. Niet de in meters gaas gewikkelde, van hersenen en ingewanden ontdane en gebalsemde farao's uit het oude Egypte, maar alledaagse figuren in alledaagse kleren. Zo levensecht waren ze, dat het Mair toescheen dat ze slechts sliepen en straks met de bezoeker een praatje zouden aanknopen. Maar waar de Amerikaan pas echt opgewonden van raakte, was hun uiterlijk. Voor hem lagen geen Chinezen of Mongolen maar Kaukasiërs. Scherpe neuzen, diepe en ronde oogkassen, blond of rood haar en (bij de mannen) zware baarden: het waren onmiskenbaar blanken.

Ürümqi is de hoofdstad van Xinjiang, het autonome gebied van de Oeigoeren, een Turks volk. Mair, hoogleraar aan de Universiteit van Pennsylvania, leidde in het museum een groep archeologen rond van het Smithonian Institute uit Washington. Maar zodra hij de mummies zag liet hij zijn landgenoten aan hun lot over, om de rest van de dag de mysterieuze lichamen nauwgezet te kunnen bestuderen. De diepste indruk maakte een man in de hoek van de ruimte. Hij lag vredig op zijn rug, de knieën licht gebogen, het hoofd op een wit kussen. De expressieve handen rustten op zijn buik, bijeengehouden door een roodblauw koord. Hij droeg een roodbruin wollen shirt, een dito broek, felgekleurde sokken en witleren laarzen die tot aan zijn dijen reikten. Op zijn slapen waren okergele spiralen getekend. Oer-David, noemde Mair de man, naar zijn op een na oudste broer.

baby blue

Inmiddels gaat de mummie, die van 1000 v.Chr. dateert en in 1985 door de Chinese archeoloog Dolkun Kamberi is opgegraven, door het leven als `de man uit Chärchän', naar de plaats waar hij samen met drie vrouwen uit een graf te voorschijn kwam. Enkele meters verderop lag een drie maanden oud kind met een blauwe vilten muts, de ogen bedekt met blauwe stenen: `Baby Blue'. Naast het lijfje lag een drinkbeker in de vorm van een koeienhoorn en een uier van een schaap deed dienst als fles. Keer op keer liep Mair om de vitrine van Oer-David heen, in de ban van het vreemde en tegelijk vertrouwde gezicht. Intussen tuimelden de vragen over elkaar heen. Wat deed die lange blonde man in deze verre streken? Hoe was hij in China verzeild geraakt? Wanneer? Waar kwam hij vandaan? Welke taal sprak hij? Kort voor sluitingstijd nam Mair afscheid en verdwaasd zocht hij zijn reisgenoten weer op.

Ruim drie jaar later, op 26 september 1991, las Mair in de New York Times over Ötzi, 5300 jaar oud en in de Tiroler Alpen onder een gletsjer opgedoken. De ijsmummie was gevonden in de buurt van Pfaffenhofen, de plaats waar Mairs vader was geboren en getogen. Onontkoombaar drong zich de gedachte op van een mogelijk verband tussen de ijsmummie en de mummies die hij in Ürümqi had gezien. Een half uur later stond zijn besluit vast: hij zou een expeditie op touw zetten naar de locaties in Xinjiang waar de mummies gevonden waren, met name het stroomgebied van de Tarim. Die rivier ligt in de Takla-Makan, de op een na grootste woestijn ter wereld. Na taaie onderhandelingen met de Chinese autoriteiten – de vindplaatsen van de mummies zijn niet ver van Lob Nur, testgebied voor kernwapens – trok Mair in de zomer van 1993 de woestijn in, langs de Zijderoute. In zijn gezelschap verkeerden de Italiaanse geneticus Paolo Francalacci en Wang Binghua, de directeur van het Archeologisch Instituut van Ürümqi. Er werden verschillende begraafplaatsen met mummies bezocht en Francalacci mocht enkele DNA-monsters nemen (uiteindelijk was er slechts één bruikbaar). Sindsdien heeft Mair ieder jaar de Takla-Makan-woestijn bezocht.

Wetenschappelijke artikelen over de Tarim-mummies verschenen in 1995 en 1998 in het Journal of Indo-European Studies. Ze waren geschreven door archeologen, textiel-experts, historici, genetici, fysisch-antropologen en taalkundigen. Op een breder publiek gericht is het onlangs verschenen boek The Tarim Mummies: Ancient China and the Mystery of the Earliest Peoples from the West. Mair schreef het samen met de Ierse archeoloog Jim Mallory. Het is een schitterend geïllustreerde uitgave waarin het complexe onderwerp van de Chinese mummies zorgvuldig en met grote kennis van zaken in zijn context is geplaatst. Eerder publiceerde de Britse textielexpert Elizabeth Barber The Mummies of Ürümchi: Did Europeans Migrate to China 4,000 Years Ago? Beide boeken zijn een antwoord op de media-aandacht die de expedities van Mair ontketenden en waarin de nadruk meer lag op spectaculaire plaatjes dan op de achtergronden van de mummies. Of het moest zijn dat er Kelten in het spel zouden zijn.

weefpatroon

Dat laatste had te maken met de kleding van de mummies. In het droge zand van de Takla-Makan-woestijn, waar de luchtvochtigheid gemiddeld 5 procent bedraagt en per jaar nog geen 35 millimeter neerslag valt, krijgen ontbindende bacteriën geen kans, te meer daar de bodem een hoog zoutgehalte kent en de winters extreem koud zijn. Bij die unieke combinatie van omstandigheden blijven niet alleen de lichamen van de overledenen intact – zonder de ingrepen die de Egyptische mummies ondergingen – maar ook hun kleding. Het verrassende was nu dat het weefpatroon van de wollen omslagdoeken die sommige mummies uit Xinjiang droegen sprekend leek op dat van de doeken die in de zoutmijnen nabij Hallstatt in Oostenrijk zijn opgedoken en die van 1300-400 v.Chr. dateren. Die kleding was geweven door voorouders van de Kelten. Was er een relatie tussen de Kelten en Chinees Turkestan?

De oplossing van dit mysterie ligt in de taal. In het zand van de Takli-Makan-woestijn zijn manuscripten opgedoken in vele talen. Daaronder het Tochaars, een taal die in de achtste eeuw na Christus door de opkomst van de Turkstalige Oeigoeren is uitgestorven. Net als het Keltisch maakt het Tochaars, waarvan twee varianten bestaan, deel uit van de familie van Indo-Europese talen. Die omvat een groep uiteenlopende en geografisch zeer verspreide talen, van het Sanskriet en Latijn via het Armeens, het Perzisch en het Hittitisch tot Germaanse talen als Engels en Nederlands. Al die talen zijn geëvolueerd uit een en dezelfde moedertaal: het Proto-Indo-Europees. Die is, zo menen veel taalkundigen, in het vierde millennium voor Christus in de steppen van Zuid-Rusland ontstaan om zich vervolgens te verspreiden. Er zijn sterke aanwijzingen dat weeftechnieken circa 3000 v.Chr. het eerst in juist die omgeving zijn gepraktiseerd. Het idee is nu dat de voorvaderen van sprekers van het Keltisch en het Tochaars zich als eersten van de proto-taal afsplitsten, waarbij de ene groep westwaarts trok en de andere naar het oosten bewoog.

Op basis van de gegevens die het multi-disciplinaire onderzoek naar de Tarim mummies tot nu toe heeft opgeleverd, en dat onder andere betrekking heeft op begraafrituelen, schedelmetingen en onderzoek naar leenwoorden (het genetisch onderzoek staat nog in de kinderschoenen), hebben Mair en Mallory als werkhypothese het volgende model opgesteld. De oudste bewoners van de Takla-Makan-woestijn zijn het gebied zo'n 2000 voor Christus vanuit de steppen in het noorden binnengetrokken. Deze kolonisten waren verwant aan de zogeheten Afanasevo-cultuur in het noordelijke hoogland, die de oostgrens vormde van het Indo-Europese taalgebied. Uit deze Afanasevo-cultuur zou ook het Tochaars zijn ontstaan. De benodigde irrigatietechnieken om aan de noordrand van de woestijn te kunnen overleven zou ze zich onderweg via contacten met Indo-Iraanse culturen hebben eigen gemaakt. Later voegden zich vanuit het westen andere volkeren bij hen, die voor een deel taalkundig door de Tocharen werden opgeslokt. In documenten van de Chinese Han-dynastie (206 v.Chr.-220 na Chr.) staan ze te boek als de Yuezhi, Wusun, en andere uitheemse volken ten westen van het keizerijk. Hun komst verraadt zich door het bestaan van Indo-Iraanse leenwoorden in het Tochaars.

Pas na de expedities van Mair raakte de westerse wetenschappelijke wereld in de ban van de Tarim-mummies. Toch was de Amerikaan niet de eerste die ze opmerkte. Minder spectaculaire exemplaren zijn al een eeuw geleden beschreven door ontdekkingsreizigers als Sven Hedin, Albert von Le Coq en Sir Aurel Stein. Op hun tochten door Centraal-Azië, op zoek naar Boeddhistische teksten en kunstschatten, stuitten ook zij in de Takla-Makan-woestijn op uitgedroogde lichamen die plunderaars van graven in het zand hadden achtergelaten. Maar voor deze westerlingen waren de mummies slechts bijzaak.

vijandig

Op dit moment zijn zo'n duizend mummies uit hun graven gehaald, waarvan een beperkt deel door archeologen. De meeste zijn inmiddels vergaan of liggen in de open lucht te rotten op de begraafplaatsen waar ze zijn gevonden. Boeren op zoek naar hout, schatgravers, zoutwinners: er zijn vele redenen om de graven te schenden. Oeigoeren ruimen volop graven met `heidenen' om er hun eigen doden te kunnen herbergen. Ook in musea zijn de mummies niet veilig: slechts enkele krijgen een conserveringsbehandeling en de rest rot weg in kelders. Zelfs lokale Oeigoerse archeologen tonen zich soms ronduit vijandig tegenover de `buitenlandse duivels' uit het verleden. Om die reden stopt Mair de mummies die hij en zijn teamleden in de ruige oases van de Takla-Makan opgraven na afloop van het onderzoek terug in hun graf en dekt ze toe met beschermend woestijnzand.

Ook op nationaal niveau liggen de mummies gevoelig. Enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling was de Takla-Makan-woestijn voor zowel de Grieken als de Chinezen terra incognita en op hun kaarten zetten ze op die plek monsterfiguren. Met de komst van de Zijderoute, die langs de Takla-Makan-woestijn voerde, vond een stroom aan Chinese uitvindingen zijn weg naar het Westen. De boekdrukkunst, papier, het magnetisch kompas, de ijzeren ploeg, buskruit, de aandrijfketting: steeds waren de Chinezen er het eerst mee. Maar de opvatting dat het Chinese rijk zich volledig los van het achterlijke Westen zou hebben ontwikkeld, snijdt geen hout. In de pre-historie kwamen uit het westen de druif, het schaap en zijn wol, de strijdwagen en het paard, en meer. De volkeren die zich vanaf 2000 v.Chr. in de Takla-Makan waagden namen technieken en gebruiken mee die hun weg naar het oosten zouden vervolgen. Daarvan zijn de mummies de stille getuigen. En ondanks de komst van de Oeigoeren en de massale import in de jaren vijftig van Han-Chinezen op bevel van Mao, stroomt, zo wijst genetisch onderzoek uit, hun bloed nog altijd door de aderen van huidige bewoners van Xinjiang.

J.P. Mallory en Victor H. Mair. The Tarim Mummies: Ancient China and the Mystery of the Earliest Peoples from the West. Thames & Hudson, 2000. Geïll., 352 blz., ISBN 0 500 05101 1. Prijs: $50.00.

Elizabeth Wayland Barber. The Mummies of Ürümchi: Did Europeans Migrate to China 4,000 Years Ago? Macmillan, 1999. Geïll., 240 blz., ISBN 0 333 73024 0. Prijs: £ 20.00.