Zeg `land' en ik wil weg

Waar iemand woont of geboren is, is niet zo belangrijk: ,,Ik wil niet `wij' zijn, maar `ik'.'' Deel 4 van de zoektocht naar de kern van de Nederlanse cultuur.

The Glittering Prizes van Frederic Raphael verscheen halverwege de jaren zeventig in Engeland en Nederland op de televisie en werd onmiddellijk herkend als een bijzonder werk. Ogenschijnlijk behandelt het de wederwaardigheden van een aantal jonge Engelsen dat in de vroege jaren zestig in Cambridge studeert. Maar de werkelijke hoofdpersoon is Adam Morris, een jood, en het verborgen thema is zijn afstand ten opzichte van de wereld der anderen. Hij is een briljant causeur, een scherpe geest, gewaardeerd en bewonderd door velen. Hij is ook iemand die zich als een schim door het land der levenden beweegt.

Adam Morris' beste vriend en kamergenoot, Donald, is lid van de Engelse adel. Ze kennen elkaar al een tijdje als Adam op het landgoed te logeren wordt gevraagd. Door Lady Francis Davidson, Donalds moeder. In maffiakringen heet zoiets `an offer you can't refuse' en zo reist de jood Adam Morris af naar het hart van de andere wereld.

De eerste avond gaat het gesprek aan tafel over investeren. Lady Francis' broer Kenneth, die priester is, merkt op dat hun vader een notoir slecht oog voor dat soort zaken had. Lady Francis antwoordt: ,,Je weet van niets. Een advocaat heeft hem verkeerd geadviseerd. Waarschijnlijk om een mede-Hebreeër een dienst te bewijzen.'' Dat is het moment waarop Adam Morris de tafel verlaat.

In de hal wordt hij ingehaald door Lady Francis' echtgenoot. Hij weet Adam mee te krijgen naar de bibliotheek, verontschuldigt zich daar voor de domheid van zijn vrouw, hij zegt dat dat komt omdat Donald binnenkort zal sterven. Dat is ook de reden waarom Adam is uitgenodigd, omdat Donald erg op hem gesteld is en niet lang meer te leven heeft.

Adam blijft.

De volgende dag beschuldigt Donalds zuster Francesca Adam ervan dat hij haar broer heeft verleid. Hij heeft hem weggevoerd uit de familie. Zij haat hem daarom.

,,Het is allemaal jouw schuld. Alles.''

,,Luister, stel je niet aan. Ik heb niemand verleid.''

,,Waarom denk je dat oom Kenneth er is? Donald is ziek en in gevaar.''

,,Ik weet het, maar...''

,,En het is jouw schuld. Jood.''

Die avond zit Adam in de bibliotheek en schrijft een brief aan Barbara, zijn toekomstige vrouw. Het is een brief die hij besluit met de volgende zinnen:

,,Ik heb geen plaats in dit land zoals zij die hebben. Mijn enige plaats is tussen jouw benen, dat is mijn enige land. De enige plaats waar ik mijn vlag kan planten en me thuis voelen.''

In al zijn banaliteit is dat een diepe waarheid voor iemand die het gevoel heeft niet geworteld te zijn in de wereld van hen die hem omringen. Adam, de jood, heeft geen plaats in het land waar zijn vriend en diens familie wonen. Hij is een Engelsman, hij studeert in Cambridge, hij vertoont alle ons bekende kenmerken van Engelsheid, maar hij is niet een van hen. Als hij onverstandig is, of onopmerkzaam, zal hij zich laten vleien door de momenten waarop hij op hen lijkt. Maar onafwendbaar is het moment waarop iemand zegt dat het allemaal zijn schuld is, dat hij een jood is, een ander.

Het ontbreken van een gevoel van gemeenschappelijkheid.

Hier komt het ongeveer op neer: men vindt het thuis eerst in de schoot van de familie, later wellicht in het gezin, in de schoot van de minnaar of minnares. Al het andere is verkeerd begrepen, een gevaarlijke illusie.

Ik houd mij voor, als het gaat om begrippen als vaderland en gemeenschappelijke identiteit, wat gebeurde met de geëmancipeerde en geassimileerde joden van Duitsland, die in '14-'18 voor het eerst in de geschiedenis voor hun land mochten vechten en daar trots op waren. Twintig jaar later stonden ze met hun militaire onderscheidingen op de borst gespeld voor hun huis, om te ontdekken dat wat zij als Duitsheid en gedeelde identiteit zagen niet zo werd uitgelegd door de plunderende meute.

Bach en Beethoven, dat waren hún componisten. Goethe en Schiller, hún schrijvers. Rabbijnen leken in dat Duitse jodendom soms meer op dominees dan op de nazaten van armzalige wonderdoeners die hun voorouders in Polen en Rusland waren voorgegaan. Hun kinderen hadden gezonde Duitse namen gekregen, hoewel sommigen zich nog steeds joodser voelden dan de Cohens, omdat die ook op Jom Kippoer ham aten.

Het was 9 november 1938.

Nationale identiteit bestaat alleen in de ogen van degenen die er altijd zeker van kunnen zijn dat zij daarvan nooit zullen worden uitgesloten.

Max Frisch heeft in zijn `Lastige Vragen' een sectie opgenomen die over land, nationaliteit en identiteit gaat. Vraag 14 luidt: ,,In zoverre geboortegrond het landschappelijke en sociale gebied is waar u geboren en opgegroeid bent, is geboortegrond onverwisselbaar: bent u daar dankbaar voor?'' Vraag 15 is: ,,Wie bent u daar dankbaar voor?'' Vraag 20 is: ,,Kan een ideologie een vaderland worden?'' En vraag 22: ,,Wekt de aarde als geheel vaderlandse gevoelens in u op?'' Vraag 24 ten slotte is: ,,Kunt u zichzelf eigenlijk zonder vaderland voorstellen?''

Het is een thema dat Frisch lang bezig heeft gehouden, want in een latere sectie, die over bezit gaat, vraagt hij zich af van wie de lucht is.

Ben ik dankbaar voor mijn geboortegrond? En: wat is dat dan? Is dat Enschede, waar ik werd geboren, en Assen, waar ik opgroeide? Is het De Provincie? Of is het Nederland? En wat is belangrijker voor het individu dat ik ben geworden: geboortegrond of vorming?

Een paar kilometer naar rechts en ik was een Duitser geweest (was ik nog Duitser geweest, want ik ben van vaderskant kwart Duits). Als wij 's zaterdags op de markt liepen, waren wij omringd door Duitsers die daar kaas, bloemen en Holländische Pudding (vla) kwamen kopen. Andersom deden wij ook weer inkopen over de grens. Op mijn lagere school begonnen wij in de vijfde klas met Duitse les en het was ondenkbaar dat volwassenen niet op zijn minst in het platduuts met de buren konden spreken.

Ik ben opgegroeid in een Angelsaksische literaire traditie – vanaf mijn dertiende waren acht van de tien boeken die ik las Engels. Ik leerde denken in de filosofische traditie die Wittgenstein, Popper, Berkeley, Ockham, Levinas en Nozick omvatte en ging houden van jazz, pop en klassiek. Ik ben 1,95 lang, ik draag een bril, ben doof aan mijn rechteroor, had als tiener en vroege twintiger endogene depressies. Ik heb leren kijken door Bert, die schilder is, en Harry, die fotograaf is, mijn vriendin en ik zijn zeventien jaar bij elkaar en hebben twee kinderen, ik houd van sobere, droge moderne vormgeving, ik heb vier computers gebouwd in mijn leven en maak met mijn vriend Matthias grote bestuurbare vliegers en ik mail elke dag met Francisco.

Ik woon in Rotterdam, maar ik zou ook in Amsterdam kunnen wonen. Ik woon in Nederland, maar zat net zo lief in Schotland, Denemarken of Australië. Als de mensen er maar niet te vrolijk zijn, vind ik alles best.

Ik ben een schrijver, een jood, een Nederlander, kwart Duitser. De volgorde wisselt soms.

Dat is mijn identiteit. Dat is wat ik van mijzelf heb gemaakt. Ongetwijfeld onder invloed van mijn omgeving, maar nauwelijks onder invloed, zo stel ik mij voor, van het land waar ik ben geboren.

Ik ben niet trots op mijn land, want ik heb mijn land niet gemaakt. Ik houd niet van mijn land, want je kunt niet van onbezielde dingen houden. Ik ben wel blij dat ik hier woon. Het lot is mij gunstig gezind geweest door mij geboren te laten worden in deze oase van vrede, welvaart en kaas.

Dankbaar? Ik heb niets gekregen omdat ik het was, alleen maar vanwege het toeval van de geboorteplaats. Een paar kilometer naar rechts en ik was in een ander vredig en welvarend land geboren. Met minder kaas, maar toch.

Ik identificeer me niet met Nederlandse personen of zaken. Ik identificeer me met kunstenaars, boeken, films, muziek, opvattingen die benaderen wat ik waardevol of nastrevenswaardig vind. Joyce, natuurlijk, en Beckett, maar ook Barnet Newman, Morton Feldman, Philip Glass ten tijde van Einstein on the Beach, Miles Davis in de Birth of the Cool-periode en een groep als Underworld, en natuurlijk de Beach Boys toen ze Pet Sounds maakten. Het zijn allemaal mensen of groepen die het pad verlieten, de grenzen overgingen en nieuw gebied betraden, niet vanwege de schok van het nieuwe, maar omdat het oude en vertrouwde net als stilstaand water donker wordt en gaat stinken.

Als ik me al ergens mee identificeer, dan met deze tekst van Isaac Deutscher in zijn bundel essays The non-jewish jew:

,,Toen ik als kind de Midrash las, stuitte ik op een verhaal en de beschrijving van iets dat sterk op mijn verbeelding werkte. Het was de geschiedenis van rabbi Meir, de grote heilige en wijze, de steunpilaar van de Mozaïsche orthodoxie en mede-auteur van de Misjnah. De rabbi had een niet-joodse leraar, Elisha ben Abiyuh, die Akher de vreemdeling werd genoemd. Op een sabbath was rabbi Meir weer bij zijn leraar en zoals gewoonlijk raakten ze in diep gesprek. De leraar reed op een ezel en de rabbi, die op sabbath niet mocht rijden, liep naast hem en luisterde zo intens naar de woorden van wijsheid dat hij niet bemerkte dat zij beiden de rituele grens hadden bereikt die de joden op sabbath niet mochten passeren. Zijn leraar maakte hem daarop attent en zei: `We moeten hier uiteengaan, je moet me niet over de grens vergezellen, ga terug.' En rabbi Meir keerde terug terwijl zijn leraar verder reed, voorbij de grenzen van de joodse gemeenschap.''

Deutscher, als kleine jongen zo'n geniaal Talmoed- en Thorastudent dat hij 's ochtends de Gerer rebbe mocht wekken en zijn rabbinale bevoegdheid met zijn bar mitswa ontving, kwam al heel vroeg tot het besef dat hij, die was voortbestemd om een meer dan gewone rebbe te worden, naar dat grensgebied werd gezogen. Spinoza, Heine, Freud, Rosa Luxemburg, Marx en Trotski, dat waren zijn helden: ze waren joden, maar ze leefden in het grensgebied tussen `het andere' en de wereld waaruit ze voortkwamen.

De grens die rav Meir niet mocht overschrijden is de grens die overschreden moet worden. Zeg `land' en ik wil weg. Zeg `nationale identiteit' en ik wil hem niet hebben. Ik wil niets delen, uw gevoelens niet en de mijne niet. Ik wil niet `wij' zijn, maar `ik'.

Zoals Groucho Marx zei: ,,Ik wantrouw elke club die mij als lid wil hebben.''

Nationale identiteit veronderstelt een gemeenschappelijkheid die door niets anders wordt bepaald dan de toevallige aanwezigheid van een groep binnen een bepaald gebied. Het veronderstelt dat mensen in dat gebied net zo op elkaar gaan lijken als baasjes op hun honden of honden op hun baasjes. Als er maar genoeg tijd passeert, ontwikkelen wij iets gemeenschappelijks.

Ik denk eerder dat het zo is dat sociale groepen gemeenschappelijke kenmerken vertonen. De overeenkomsten tussen de leden van de middenklasse zijn binnen Europa groter dan de overeenkomsten tussen landgenoten uit verschillende sociale lagen. Wij drinken allemaal cappuccino, een glas wijn of whiskey, lezen wel eens een boek, de NRC of de Volkskrant. Zij drinken Heineken, lezen De Telegraaf en vinden De Televisiekapper een geinig programma. Wij investeren veel extra tijd en geld in de beste school voor ons kind, in de overtuiging dat het juiste onderwijs de sleutel tot de middenklasse is, zij sturen hun kind naar de dichtsbijzijnde school, in de overtuiging dat onderwijs onderwijs is. Wij dragen een pak, zij vrijetijdskleding. Het zijn verschillen en overeenkomsten die in heel Europa, maar waarschijnlijk wereldwijd, gelden. Ze zijn belangrijker dan de stereotypen die worden toegekend aan de fictie van Nationale Identiteit.

Ik wil geen identiteit delen met mijn landgenoten, maar ik weet met grote nauwkeurigheid waar ik wil wonen en waarom.

Ik wil in mijn buurt wonen, in het centrum van Rotterdam, met de Chinezen om de hoek en de Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen achter mij. Als ik met Matthias ga snookeren wil ik de schemering van de hal betreden en daar jonge mensen van allerlei afkomst zien spelen. Als ik op een zomeravond met Francisco door de stad dwaal, wil ik de Rotterdamse smeltkroes in volle werking zien. In de tram wil ik een in gruwelijk Rotterdams gevoerd gesprek horen om te ontdekken, als ik mij omdraai, dat het twee meisjes in hoofddoek zijn die zitten te praten. Ik wil mij ergeren aan het geschreeuw op straat, de Chinese karaoke die losbarst na een trouwpartij, de veel te hard versterkte stem van de charismatische dominee die preekt voor een zaal vol veel te hard schreeuwende vrouwen. Ik wil de draken door de straten zien gaan op Chinees Nieuwjaar en de zwarte meisjes zien dansen tijdens Antilliaans carnaval, ook al vind ik er zelf geen donder aan. Ik wil dat niet omdat ik politiek correct ben, of omdat ik zelf geen identiteit heb. Ik wil het omdat dat het leven in mijn stad is. Ik wil het omdat het deel van mij is en ik daar deel van ben, zonder dat ik noodzakelijk iets wil delen of iets gedeeld wil krijgen. Ik wil dat het leven gewoon verder gaat, zonder gezeik over wie we zijn en wat we zijn. Wie daar over na gaat denken, kan niet anders dan zich ten opzichte van een ander definiëren. Dat leidt in de meeste gevallen tot niets dan ellende.

Volgende week begeeft Rob Zuidam zich in het Holst van Nederland

Zie ook `Tegenspraak', www.nrc.nl