Zeepschuim verstikt het meertje

Wie Gontsjarov zegt, zegt Oblomov, het droomboek dat terecht wereldberoemd is geworden. De Petersburgse pest is een eerste, informele en bij het leven van de schrijver onuitgegeven vingeroefening. Het verhaal is uit 1838 en staat opgetekend in de handgeschreven almanak Sneeuwklokje van de kunstminnende familie Majkov, die in Petersburg salon hield.

Het motto boven de tekst komt uit een medisch rapport over de Moskouse cholera van 1830. Daarmee is de toon gezet. Het gaat in De Petersburgse pest om een ernstige aandoening die Gontsjarov niet als dokter, maar als schrijver te lijf gaat. `Ik wil de lezer waarschuwen dat de waarnemingen welke ik met zo grote uitvoerigheid aan hem voorleg, aan geen enkele twijfel onderhevig zijn, niettegenstaande zij de objectiviteit en de wetenschappelijke methode, welke zo kenmerkend zijn voor de medicus, ontberen.' Het blijkt dat de kunstminnende, salonhoudende familie Zoerov is aangestoken door het even besmettelijke als ongeneeslijke wandelvirus.

De verteller heeft twee vrienden, een luie, immuun voor de ziekte, en een kwieke, de verspreider ervan. Ze zijn de prototypen van Oblomov en Stolz, de beide tegenpolen uit Oblomov (1859). De introductie van Tjazjelenko (`Zwarink') zegt genoeg: `Deze man stond al als jongeman bekend om zijn ongekende, methodische luiheid en heroïsche onverschilligheid voor 's mensen gewoel. Hij bracht het grootste deel van zijn leven liggend op bed door; wanneer hij zich een enkele keer oprichtte, dan was dat slechts om te dineren, het ontbijt en het souper waren deze moeite, naar zijn mening, niet waard.' De familie laat echter de oren hangen naar het kwieke type, Verenitsyn (`Vogelvlucht'). Het was het begin van het einde.

De natuur die de familie introk had echter — toen al en in Rusland! — veel weg van een stukje bos ter grootte van een krant en een heuvel met wat villaatjes ertegen, maar dan nog erger: een `lieflijke meertje' is bedekt met zeepschuim, op een `lapje aards paradijs' staat een stinkende vetsmelterij, vanaf een `schitterende heuvel' ziet men uit op de schutting van een steenfabriek. De verteller maakt één tochtje mee maar blijft gezond.

Met de Zoerovs loopt het slecht af. Ze emigreren naar Amerika en `op een dag [...] zijn ze met een enorme hoeveelheid kleren, beddengoed en mondvoorraad de bergen ingetrokken en nooit meer teruggekeerd.' Het lot van de verteller lijkt op dat van de schrijver, die zich ambtshalve ook eenmaal heeft gewaagd aan een grote reis, een wereldreis nog wel, waarvan hij op laconieke wijze verslag doet in Reis om de wereld (1858), om vervolgens geen stap meer buiten Petersburg te zetten.

De vertaling van de negentiende-eeuwse tekst is voorbeeldig, door de spaarzame injecties van archaïsche woorden in een hedendaags Nederlands. Het is prachtig om woorden als `weswege' en `derwaarts' zij aan zij te zien optrekken met zinnen als `je bent jong en je wilt wat.' Het zijn niet de woorden zelf die een tekst ouderwets maken, maar de volgorde waar ze in staan.

De flapschrijver noemt De Petersburgse pest een `vergeten kleinood' , vertaler Arthur Langeveld spreekt in zijn nawoord van een `juweeltje'. Dat is te veel eer. Daarvoor is de kwaliteit te ongelijkmatig. De beschrijvingen zijn raak, met zinnen als: `Ze hebben zo te zien weer een uitstapje onder de leden' en `Het werd april; de zon verdreef met haar vlammende stralen de laatste winterdag, die afscheid nam met zo'n huilerige grimas dat de Neva scheurde van het lachen en buiten haar oevers trad, en de koude aarde door de sneeuw heen glimlachte.' De dialogen zijn veel minder goed. Zo valt met name het verslag van het uitstapje waaraan de verteller deelneemt (regen, vermoeidheid, honger) nogal tegen. Maar het blijft interessant om de schrijver van Oblomov zich tussen de schuifdeuren te zien oefenen voor het grote werk van twintig jaar later.

I. Gontsjarov: De Petersburgse pest. Uit het Russisch vertaald en van een nawoord voorzien door Arthur Langeveld. De Arbeiderspers, 84 blz. ƒ25,-