Uitvergroten wat zichzelf al opblaast

`Miniaturen' staat er in de ondertitel van Landschap met klein vuil, de nieuwe bundel van Zwagerman met een selectie van de columns die hij om de week verzorgt voor het mediakatern Stroom van de Volkskrant, aangevuld met stukken uit NRC Handelsblad en Vrij Nederland. Dat `miniaturen' moet haast wel een vergissing zijn. Want als er iets is dat Zwagerman goed kan, dan is wel het uitvergroten van storende eigenschappen van mensen of fenomenen. In zijn columns over onder anderen Menno Buch, Pim Fortuyn en Willibrord Fréquin demonstreert Zwagerman steeds opnieuw hoe het vergrootglas een geestig en krachtig stijlmiddel is om iets of iemand te typeren.

Hoewel Zwagerman een divers gezelschap aan personen en fenomenen kritisch onder de loep legt, heeft hij toch ook zo zijn obsessies: waarom anders maar liefst zeven stukken waarin medecolumnist Stephan Sanders wordt aangepakt? In `De methode-Sanders' ventileert Zwagerman zijn ergernis over het feit dat Sanders in zijn boek Buitenwacht Norman Mailer, Ernest Hemingway en Harry Mulisch naar de prullenbak verwijst. Mailer en Hemingway zouden volgens Sanders macho's zijn met jagerhoedjes, terwijl Mulisch fout was in de Koude Oorlog wegens sympathie voor Fidel Castro.

Ter verdediging van Mailer, Hemingway en Mulisch voert Zwagerman op dat je een schrijver moet beoordelen op de literaire kwaliteiten van zijn werk, niet op zijn leven. Bovendien bestaat er naar zijn zeggen een gezegde dat je een schrijver op zijn béste werk moet beoordelen. In een andere column gaat Zwagerman in op de internetroman die Sanders schreef, waarbij lezers hun commentaar konden emailen en actief konden deelnemen aan de roman in wording. Volgens Zwagerman is ijdelheid Sanders' grootste zonde. `Dat hele internetproject van Sanders, met al die zelffelicitaties over het scheppingproces, doet allemaal onweerstaanbaar denken aan het jongetje dat op zijn kamer de luchtgitaar bespeelt en zich verbeeldt dat hij Jimi Hendrix is.'

Met zijn vlotte pen schrijft Zwagerman aanstekelijke en prikkelende columns die getuigen van sardonisch schrijfplezier. Sterk zijn de typeringen van popmuzikanten als Ilse de Lange (jonge Almelose zangeres wier muziek tot `dikke countrydroppels' roert) en Krezip (volgens Zwagerman een `pre-ironisch jeugdig popgroepje'). De beschouwingen over televisie moeten het vooral hebben van de geestige wijze waarop Zwagerman zijn ergernissen verwoordt, want echt verrassend is het niet om kritiek te hebben op programma's als de Jerry Springer Show, De Bus, Big Brother of All You Need is Love.

De methode-Zwagerman, het cartoonesk opblazen van wat zelf al aan zelfvergroting doet, is meestal handig en effectief. De methode komt echter minder tot zijn recht in de parodieën, waarin hij onder anderen Wim Kayzer, Marjet van Zuylen en Philip Freriks te grazen neemt door hun stijl te imiteren.Met de verstrooide aandacht van een krantenlezer kun je ze in het vuur van de actualiteit als grappig ervaren; in een boek, met de pretentie dat de stukken bewaard moeten blijven voor de eeuwigheid, doen ze wat overspannen lollig aan.

Dat geldt ook voor de Sanders-columns. De zegswijze dat je een schrijver op zijn (beste) werk moet beoordelen neemt Zwagerman zelf niet ter harte. Over Mulisch schrijft Sanders óók in Buitenwacht: `Bovenstaand doet uiteraard niets af aan Mulisch' literaire kwaliteiten.' En wat vindt Zwagerman nu eigenlijk van de literaire kwaliteiten van Sanders' internetroman? De opmerkingen van Sanders over Mailer en Hemingway schrijft Zwagerman overigens ten onrechte toe aan Buitenwacht.

De columns zijn onderverdeeld in twee delen: `landschap' en `klein vuil'. Arjan Peters, literatuurcriticus van de Volkskrant, vult geheel in zijn eentje de laatste categorie. In een razende column over Peters is Zwagerman op zijn best. Zwagerman laat zien dat boeken die Peters in de Volkskrant kraakte door hem werden toegejuicht in een promotiefolder van een fonds waar hij voor werkte. Die `dubbele boekhouding', door Zwagerman in 1998 aan het licht gebracht in Vrij Nederland, kwam Peters te staan op een tijdelijke schorsing van zijn literaire werk voor de krant.

In een nog niet eerder gepubliceerd nawoord schrijft Zwagerman dat Peters hem dankbaar zou moeten zijn dat hij slechts werd geschorst in plaats van ontslagen. Als niet hij, maar een VN-journalist over Peters had gepubliceerd, meent Zwagerman, was er geen sprake geweest van een literaire polemiek, maar van een journalistieke aanklacht die tot ontslag had geleid. `Ik wacht nog altijd op een bedankje', merkt Zwagerman ironisch op. Waarom Zwagerman voor zijn doen zo lang met recycling van dit `klein vuil' wachtte, is mij niet duidelijk. Juist deze column maakt nieuwsgierig naar Zwagermans stortplaats van grof vuil.

Joost Zwagerman: Landschap met klein vuil. Miniaturen en maskerades. De Arbeiderspers, 224 blz. ƒ27,50