Tante

Mijn taxi behoorde toe aan een bedrijf dat `Jappie' heette. ,,De baas z'n voornamen zijn Jan Pieter, en `Jap' klonk niet'', legde de chauffeur geduldig uit. ,,Jappie is ook beter voor onze slogan: eerst een borrel en een happie, en dan een taxi van Jappie.''

Zo begon de dag toch nog tamelijk vrolijk, wat mooi meegenomen was, want de voortzetting voorspelde de nodige ernst. Ik ging naar de begrafenis van een lieve tante, die op 85-jarige leeftijd gestorven was. Ze was altijd een goede katholiek geweest, en er zou voor haar dan ook met recht en reden een mis worden opdragen in de fraaiste kerk van de stad. Háár kerk.

Mijn familie had al plaatsgenomen in de kerkbanken, iets waar ik nooit veel haast mee heb gehad. Helaas, zou je op zulke momenten bijna denken, want op het gebied van stemmige uitvaarten kunnen wij goddelozen nog heel wat van de roomse kerk leren. Het werd een mooie mis met een aangrijpend dameskoor, dat op de vleugels van het orgelspel de gotische gewelven helemaal in bezit nam.

De pastoor had gevoel voor de goede anekdote op de goede plaats. Hij vertelde dat thuis bij de overledene een gebed gevonden was met de waarschuwing `Niet weggooien alstublieft'. Het was een gebed dat tante elke dag opzei.

Hij las het ons voor, zodat we een indruk konden krijgen wat God voor haar betekend had. God was als een broer, een vriend, stond in dat gebed.

Dat moet mijn tante wel aangesproken hebben, want ze behandelde zoveel mogelijk mensen als een broer en vriend. Haar huis in de oude volkswijk stond in beginsel voor iedereen open. ,,Ik herinner me nog vooral de dikke boterhammen met hagelslag'', glunderde een van haar neefjes, die inmiddels een grote regelneef was geworden, later op de begraafplaats.

Zelf had ik minder tastbare herinneringen aan tante, omdat wij ver weg woonden. Maar terwijl ze naast haar man werd ingekuild in het familiegraf, doemden ze samen ineens weer voor me op, gezeten op een enorme motor waarmee ze de honderden kilometers naar ons huis hadden gereden. Kwieke veertigers waren het toen, niet rijk genoeg voor een auto, maar altijd gelukkig met wat ze hadden. Ik zag ze weer de straat uitrijden, uitbundig zwaaiend en nog onvoorstelbaar gezond.

Zo'n beeld gaat knagen naarmate de begrafenisdag vordert. De laatste keer dat ik mijn tante zag, had ze gevraagd of ik weer eens gauw wilde langskomen. Dat had ik beloofd en natuurlijk niet gedaan. Onverschilligheid? Ik denk eerder dat het het onbezonnen optimisme van een gezond iemand is: we gaan nog niet dood, nog lang niet.

Dit is nooit meer goed te maken, want mijn tante zit nu in de hemel en ik weet niet hoe ik daar moet komen. Maar in haar kerk hebben ze gelukkig een aardig gebruik. Op het einde van de eredienst gaf de pastoor een klein, houten kruisje met de naam van tante aan een kleinkind. Samen gingen ze dat kruisje bij de ingang van de kerk ophangen. Het lijkt me een goede reden voor een tweede ritje met de taxi van Jappie.