Ruimen

Altijd weer denk ik aan vee dat gevlekt is,

De bokjes, de geiten, het schaap en het koebeest,

En het bijziende lieve varken.

Koeien met kaarten van Zeeland en Drente,

Ook op hun snoet en over een oog soms,

En de intieme vlekjes op hun buiken.

We kunnen ze niets uitleggen,

Ze verstaan ons niet,

Vol vertrouwen lopen ze met ons mee.

Met hun wimpers als kinderen,

Hun draaibare oren van fluweel,

En ach hemel, al die poten.

O, allemaal, allemaal moeten ze dood!

Ook de kinderen,

Ook de moeders.

Ook die met vlekjes op hun buik,

Die zie je nog even

Als de grijper ze optilt.

Net als takken al die poten,

Die lieve oren, die mooie wimpers,

Wie zal ooit nog aan ze denken.

Vol vertrouwen lopen ze met ons mee.

Ze verstaan ons niet,

We kunnen ze niets uitleggen.