Rode wijn op het terras

Het moet ruim een jaar geleden zijn geweest dat ik 's avonds de televisie aanzette en een groot jongenshoofd met krullen in beeld zag verschijnen, in een videoclip. Zijn leeftijd was moeilijk te schatten: vijftien, twintig, misschien ook wel vijfentwintig jaar.

Het was, zoals meestal in dit genre, een filmpje met veel snelle overgangen en er viel op het eerste gezicht nog geen touw aan vast te knopen. Maar je kon wel zien dat hij zong, en op een gegeven moment kon je ook horen dat wat hij zong Nederlands was, al was het dan slecht verstaanbaar en vooralsnog weinig coherent Nederlands. Zijn dictie was niet al te best, er zat wat vervorming in de opname en hij zong met een merkwaardig schrille stem, op het snerpende af. Het had wel wat, vond ik, al wist ik nog niet precies wat. Het was een vreemd tijdloos nummer. Het zou een bewuste jaren zestig-imitatie kunnen zijn, door iemand die wel op Bob Dylan wilde lijken, maar even goed een toevallig aardig gelukt lied van een of ander middelbare schoolbandje. Het zag er allemaal wat amateuristisch uit, maar ook authentiek en niet modieus – en ik denk dat daarin de grootste charme school.

Bij de aftiteling bleek dat ik gekeken had naar een zich Abel noemende zanger of groep, met het lied `Onderweg'. Bij die ene eerste keer zou het niet blijven. `Onderweg' werd in het voorjaar van 2000 al snel een grote hit. Het zou een half jaar lang in de hitlijsten blijven staan, waarvan zes weken op nummer 1. Er werden ruim 100.000 singles verkocht in Nederland en ook nog eens 50.000 in België. Een droomdebuut dus, voor het kleine bandje van Maarten, Emiel, Freek, Robert en Joris (de 25-jarige zanger met de krullen) uit Breda.

Het lied had dus voor een groot publiek iets aanstekelijks of ontroerends, maar waar ging het eigenlijk over? Dat was, ook na herhaald luisteren, nog niets eens zo gemakkelijk te zeggen. Er kwam wat relatietherapieproza in voor (`ik mocht delen wat jij had', `ik vergat hoe jij me zag' e.d.) en er zaten wanhoopskreten in (`het liefste zou ik willen schreeuwen / ik zou oneindig willen schreeuwen / maar het gaat niet'), maar het lied dreef verder vooral op romantische clichés (`rode wijn op het terras'), tedere suggestie en pathetiek (`je hart is zo dichtbij me / maar het klopt niet'), quasi poëzie (`straten lijken te huilen') en allerlei vage rijmdwangonzin: `ik loop de straat in / maar het zal me nooit verwarmen / omdat het mij niet kan omarmen / wie zou mij zien.'

Wat was er nu aan de hand? Vermoedelijk besloten hier twee geliefden om elkaar een tijdje niet, of zelfs nooit meer te zien, en vermoedelijk had de zanger er meer moeite mee dan het meisje om te beseffen `dat het zo beter is misschien.' Helemaal zeker is deze lezing niet, want vlak voor het einde deelt de zanger ook nog doodleuk mee: `jij bent nu alleen van mij.' Er is dus wel reden om lacherig te doen over deze liefdesverdrietballade, en dat is inmiddels ook wel gebeurd, maar toch blijft het daarnaast ook een mooi, weemoedig, ontroerend lied, om met een zo zacht mogelijke g hardop mee te zingen: `wil je dansen met illusies in gedachten?' Muziek wint het blijkbaar nog altijd van tekst, hoe bezopen ook.

Eenzelfde mengsel van vage romantiek en liefde, rode wijn op het terras en grote woorden, geleende beelden en de geest van muziek trof ik onlangs ook heel ergens anders aan, bij een Franse dichter in wiens werk ik bij toeval even was beland, op zoek naar iets anders: Paul Eluard (1895 - 1952). Ik had nog nooit iets van hem gelezen, al had dat eigenlijk wel gemoeten. Want Eluard was een van de belangrijke lyrische dichters van de twintigste eeuw, aldus de ene encyclopedie. Een van de sterkste en zuiverste vertegenwoordigers van de Franse dichtkunst van zijn tijd, volgens de andere. Frankrijks grootste dichter, noemde Jan Vermeulen hem bij zijn dood, en de belangrijkste dichter van de moderne poëzie. Eluard was een surrealist in het begin, een sociaal bewogen dichter in de jaren dertig, een overtuigde communist, en in de oorlog de dichter van het verzet, beroemd geworden door zijn lange ode aan de vrijheid (`Liberté') die op pamfletten door de RAF boven heel Frankrijk werd uitgestrooid. Daarnaast was hij ook en vooral de dichter van de liefde. Het is veelzeggend dat zijn ode aan de vrijheid één lange liefdesverklaring aan zijn vrouw Nusch was. Hij hoefde alleen maar het laatste woord (haar naam) te veranderen in `Liberté' om er een vrijheidsvers van te maken.

De dichter van de liefde: dat klinkt goed. Maar wie zou hem nog lezen? Een enkele literatuurhistoricus, een enkele vertaler, maar verder? Ik sloeg Wereld met ogen van sneeuw op, de in 1998 verschenen, door Theo Festen vertaalde kleine keuze uit zijn poëzie, en bevond mij al snel in een geheel en al Abelse wereld van liefde en lyriek, vertwijfeling en verdriet, vage romantiek en veel onzin. `Ik zie echte mannen vol gevoel goed en van nut / Zij werpen een vracht af nog kleiner dan de dood / En slapen van vreugde in het geluid van de zon.' Van dat soort regels hangen al zijn gedichten aan elkaar. `Jij zingt nachtelijke hymnen op de snaren van de regenboog / Jij bent overal je schaft alle wegen af.' Het wemelt er van de quasi gevoelige en quasi dichterlijke zeggingen en impressies, volstrekt willekeurig en onderling verwisselbaar: `Meren van naaktheid / En schaduwen die ontworteld zijn'. Het is waar dat de vertaling wat houterig en mechanisch is, maar ook met wat meer stilistische souplesse valt er, vrees ik, weinig van te maken.

Vreemd, en ook wel onthutsend, om te zien dat van zo'n grote naam, met een omvangrijk en chic uitgegeven oeuvre (twee Pléiade-delen van 1663 en 1505 bladzijden), zo weinig overblijft: vaag romantisch liefdesgeneuzel, zwaar gedateerd, nietszeggend inmiddels, op het oubollige af. Van amoureuze poëzie is het onbedoeld poëzie geworden om van in de lach te schieten. Poëzie om te parodiëren, bijvoorbeeld op de wijze waarop in Jiskefet het afgelopen seizoen een bepaald soort dichterlijk jaren vijftig Parijselijk sentiment (rode wijn op het terras) geparodieerd werd. Als ik eerlijk ben zie ik geen verschil tussen de vage teksten van Eluard en die van Abel, vijftig jaar later, en ook niet tussen de vage Franse romantiek van de vroege vijftigers en die van de Jiskefet-parodie van nu. Alles is aan elkaar gelijk geworden: poëzie en populaire deun, origineel en parodie. Het kan haast niet anders dan dat deze gelijkheid een voorstadium vertegenwoordigt van een andere fase, waarin na de verschillen zelfs de overeenkomsten er niet meer toe doen: de fase van de totale vergetelheid, waaraan de Eluardiaanse poëzie spoedig ten prooi zal vallen.

Paul Eluard: Wereld met ogen van sneeuw. Vertaald door Theo Festen. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 128 blz. ƒ49,90