Over het vreten en over de moraal

Wat is een lullemeier? Van Dale kent het woord niet, maar wel het bijna gelijke `lulmeier' en legt uit: `iemand die vervelend kletst'. In Guus Kuijers nieuwe vertaling van de Spaanse schelmenroman Lazarillo van Tormes valt het woord als een scheld- en tegelijk een koosnaam. Een jongetje dat door een zwarte stalknecht bij een Spaanse volksvrouw is verwekt, ontdekt plotseling dat zijn vader niet is als anderen en roept: `Een enge man!' Die vindt dat maar wat grappig, en roept kwasi-boos `hideputa'. Letterlijk `hoerenzoon'; bij Kuijer dus `lullemeier'.

Voor een niet al te letterlijke vertaling van het woord is wel iets te zeggen. `Hoerenzoon' klinkt naar slecht ondertitelde b-films met besnorde mannen tegen een achtergrond van Mexicaanse cactussen of de kerkers van de Inquisitie. Maar de grap dat het jongetje in kwestie inderdaad de vrucht is van een nogal losse levenswandel, gaat daarmee verloren. Sophie Brinkman, die de Lazarillo in 1988 bij de uitgeverij BoekWerk vertaalde, heeft het woord daarom maar letterlijk laten staan. Een echt goede oplossing lijkt er niet te zijn, al kan de zetters-term `hoerenjong' het karikaturale misschien iets verzachten.

Dat er in relatief korte tijd twee vertalingen van de Lazarillo verschijnen zegt iets over de aantrekkelijkheid van deze in 1554 verschenen Spaanse roman, zo klassiek dat je over `de' Lazarillo kunt spreken, zoals je ook `de' Quixote zegt. Het is een vlot verteld, realistisch verhaal vanuit de onderkant van de samenleving, vol achteloze straatwijsheid die zich aan moraliteit niet zoveel gelegen laat liggen.

Dat je als volksjongen je handen al vol hebt aan het vullen van je maag en hooggestemde principes daarom maar even moeten wachten, leert de jonge Lazarillo, die in dit boek zijn levensgeschiedenis vertelt, al snel, wanneer hij door zijn moeder als knechtje en begeleider aan een blinde bedelaar wordt meegegeven. Slaag en honger zijn zijn deel en ze blijven dat ook, hoe vaak hij ook van baas verandert. Na de blinde bedelaar komt een vrekkige geestelijke, dan een berooide edelman, een aflaatverkoper, een kapelaan en tenslotte een gerechtsdienaar.

Zijn leven blijft er een van aframmelingen en hond in de pot, tot hij door zijn laatste baas aan een meisje gekoppeld wordt. Ze is weliswaar niet geheel van onbesproken gedrag, maar daar wil Lazarillo niet van horen, want waarom zou je moeilijkheden zoeken wanneer het ook zonder kan?

Met dit wereldwijze pragmatisme is Lazarillo het prototype van de schelm die geen slechte inborst heeft, maar bij wie het vreten altijd eerder komt dan de moraal. Dat soort verhevenheden kan hij zich nu eenmaal niet veroorloven – maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij er ook niet de puf voor zou hebben als hij het wel kon. Het is een standaardfiguur uit het Spaanse volkstoneel en de Italiaanse Commedia dell'arte, die door Cervantes en Goldoni onsterfelijk zou worden gemaakt. In Nederland kreeg hij zijn beroemdste gestalte in Robbeknol uit Bredero's Spaanse Brabander, die direct door de Lazarillo werd geïnspireerd.

Tegenover deze grootmeesters is de anonieme auteur van Lazarillo de Tormes, ruim een halve eeuw vóór Cervantes en Bredero, nog een beginneling. Het is zelfs te pretentieus bij deze verzameling verhalen en verhaaltjes over een `roman' te spreken. Veel compositorisch vernuft is er in de Lazarillo niet te vinden, het boek breekt tamelijk bruusk af en de hoofdpersoon is meer een typetje dan een `karakter', laat staan dat hij een psychische ontwikkeling doormaakt.

Maar tegenover die tekortkomingen staan niet alleen talloze komische scènes, waarvan de humor nu soms wat simpel overkomt, maar ook prachtige mini-portretjes van de oplichters, straatschuimers en uitvreters waarvan het in de zestiende-eeuwse Spaanse steden gewemeld moet hebben. De edelman die geen droog brood te verteren heeft maar nooit zijn huis verlaat zonder een strootje tussen de tanden waarmee hij opzichtig etensresten verwijdert, is met zijn haveloze pretentie onvergetelijk. Met zijn doorzichtige verkooptrucs doet de aflatenhandelaar aan hedendaagse beurs- en reclamejongens denken. En in de manieren waarop Lazarillo steeds weer aan eten weet te komen kondigt Sancho Panza zich al aan – met wie hij ook het rijke repertoire van spreekwoorden, zegswijzen en dooddoeners gemeen heeft.

De vertalingen van Sophie Brinkman en Guus Kuijer geven elkaar weinig toe in inventiviteit én in tekortkomingen. Bij beiden vind je prachtige vondsten naast houterige zinnen waar het Spaans nog doorheen schemert. Brinkman blijft vaak dichter bij het origineel, dat in haar tweetalige editie naast de vertaling was afgedrukt;Kuijer veroorlooft zich meer vrijheden maar interpreteert de Spaanse tekst niet altijd correct. Liefst zou je de voordelen van beide boeken in één boek verenigd zien, maar Lazarillo zou zeggen: het leven is nu eenmaal nooit volmaakt.

Lazarillo van Tormes. Uit het Spaans vertaald door Guus Kuijer. Nawoord Barber van de Pol. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 93 blz. ƒ25,-