Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, kocht een oude auto. Aan de buitenkant zag hij er mooi uit, maar zat je er in, dan zag je allemaal mankementen. Vooral de stoel van de bestuurder. Die hing helemaal scheef. ,,Ach'', zei m'n vader, ,,dat geeft niet, dan hou ik gewoon mijn hoofd ook scheef.'' ,,Maar eerst je rijbewijs halen'', zei mijn moeder. ,,Het is al duur genoeg. Zeven gulden per uur.''

In het dorp waar zij woonden was maar één rijschool. Met een rijschoolhouder, die meneer Rip heette en scheel was. ,,Als meneer Rip het ooit gehaald heeft, dan haal ik het ook'', zei m'n vader, en hij keek mijn moeder met grote ogen aan. Heel anders dan meneer Rip, want die kon op hetzelfde moment naar Noord en Zuid kijken.

's Avonds na de eerste rijles kwam hij kwaad thuis. Hij had op zijn kop gekregen van meneer Rip omdat die gezegd had dat rechts voorrang had, en toen had mijn vader gezegd, dat hij dat onzin vond. De eerste de beste auto die je zag, had gewoon nooit voorrang. Hij mocht altijd doorrijden. Toen zei meneer Rip dat hij een stronteigenwijze oude man was.

Toch bleef hij het proberen. Tot de laatste keer en meneer Rip niet meer wilde.

Op een mooie dag reden ze samen op de snelweg met mijn vader achter het stuur. Opeens keerde hij vliegensvlug door de berm naar de andere kant. Ze stonden voor een boerderij waar mijn vader op het dak zijn lievelingsdakpannen zag. ,,Weet u hoe die heten'', vroeg hij aan meneer Rip. ,,Ga weg'', schreeuwde die, zijn ogen puilden alle kanten uit.