Kijk, daar praat een adelaar

Op de lange lijst van Invloedrijke Maar Nauwelijks Gelezen Literatoren neemt de Britse historicus Geoffrey van Monmouth (1100-1155) een ereplaatsje in. Zonder zijn Geschiedenis van de Britse koningen, en de daarin verwerkte sagen over koning Arthur, zouden we een belangrijk deel van de Europese cultuurgeschiedenis missen: de Arthur-romans van Chrétien de Troyes, en dus de Parsifal van Wagner; de epen van Thomas Malory, en dus The Once and Future King van T.H. White; tientallen Camelot-films en musicals, en dus ook Monty Python and the Holy Grail en `Avalon' van Roxy Music. De ridders van de Ronde Tafel spreken tot de verbeelding van talloos vele miljoenen, maar dat heeft de aanstichter van de Arthur-gekte niet voor de literaire vergetelheid kunnen behoeden.

Nederlanders hadden altijd een excuus – de enige vertaling van de Historia regum Britanniae was van Jacob van Maerlant, die delen ervan opnam in zijn Spiegel Historiael (ca 1275). Verleden tijd, want in de prestigieuze Baskerville-reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep is een vlot leesbare en goed becommentarieerde vertaling verschenen van de hand van de mediaevist Mark Nieuwenhuis. Wat de lezer tegenkomt zijn niet alleen de bouwstenen van de Arthur-mythe – al heet 's konings superzwaard Caliburn in plaats van Excalibur en zijn kasteel Caerleon-on-Usk in plaats van Camelot – maar ook andere beroemd geworden verhalen. De verplaatsing van de Ierse Reuzensteenkring (Stonehenge) naar de vlakte van Salisbury door de tovenaar Merlijn is er zo een. Nog vèrstrekkender was Geoffrey's sage over een voorganger van Arthur die zich ten onrechte geschoffeerd voelde door zijn jongste dochter, en die de fout maakte om zijn rijk te verdelen over zijn andere twee dochters. Shakespeare zou vier eeuwen later nog mooie dingen doen met deze koning `Leir'.

De Geschiedenis van de uit Monmouth (Wales) afkomstige Geoffrey, `Galfridus Monemutensis' in het Latijn, bestaat uit twaalf delen en boekstaaft de daden van de Brits-Keltische koningen, van de mythologische Brutus of Britto tot de historische Cadvalder, die met zijn Britten eind zevende eeuw definitief het onderspit dolf tegen de opdringerige Saksen. Zoals de Romeinse dichter Vergilius de stichting van Rome verbond met de val van Troje, zo maakte ook Geoffrey van de grondlegger van het Britse koninkrijk een afstammeling van de Trojaanse held Aeneas. Hij had zo zijn redenen: als Welshman (en dus Brit) wilde hij aan de multiculturele samenleving Engeland duidelijk maken dat de oorspronkelijke (en naar de marges van `het mooiste eiland ter wereld' verdreven) bewoners al vóór de komst van de Romeinen een superieure beschaving hadden gehad.

Eerdere geschiedschrijvers, onder wie de hooggeachte Beda, hadden de Britten afgeschilderd als laf en achterlijk; Geoffrey deed het tegenovergestelde, en haalde zich daarmee de kritiek van zijn (Anglo-Saksische) collega's op de hals. De een beschuldigde hem van het witwassen van sprookjes en verzinsels `door er de fraaie glans van de Latijnse taal op aan te brengen'; de andere bracht hem in diskrediet door te vertellen dat de leugenachtige Geschiedenis, anders dan het evangelie van Johannes, niet bruikbaar was om duivels uit te drijven. Sterker nog, als het werk van Geoffrey op de borst van een bezetene werd gelegd, kwamen de boze geesten `meteen en in nog groter aantal terug en bleven langer dan anders op zijn lichaam en op het boek zitten.'

Geoffrey wás ook meer een mooie-verhalenverteller dan een historicus. Hoewel hij in zijn Voorwoord beklemtoont dat hij `niet in andermans tuintjes fraaie woorden verzamel[t]', verleent hij zijn Geschiedenis gezag door te verklaren dat ze de Latijnse vertaling is van `een heel oud, in de Britse taal geschreven boek'. Niemand anders had dat mysterieuze boek ooit in handen gehad, en dat gaf Geoffrey de vrije hand om te putten uit zijn eigen verzameling van volksverhalen, legendes en pseudo-profetieën. Alleen voor de geschiedenis van Brittannië onder de Romeinen en de Saksen baseerde hij zich losjes op het werk van de kerkhistorici Beda en Gildas – zij het dat hij de verwijzing naar een naamloze Britse koning die in 516 de binnengevallen Saksen vernietigend versloeg, rigoureus uitbreidde tot de Arthur-mythe.

Koning Arthur, over wie andere (anonieme) bronnen ook niet veel meer vertelden dan dat hij na een aantal successen in 537 sneuvelde, is Geoffrey's grote held. Net als de founding father Brutus sticht hij steden, verdrijft hij indringers en vecht hij tegen reuzen.

Maar hij is pas werkelijk bijzonder doordat hij bescherming geniet van de met magische krachten en kennis van de toekomst gezegende Merlijn. Zo is het Merlijn die Arthurs vader Uter Pendragon een ander gezicht geeft, zodat hij bij de beeldschone vrouw van zijn rivaal een troonopvolger kan verwekken.

Voor de liefhebbers van Terence H. White, Walt Disney en de vaak verfilmde Lancelot en Guinevere-verhalen kan het lezen van de Geschiedenis teleurstellend zijn: bij Geoffrey geen zwaard in de steen, geen zoektocht naar de Heilige Graal (dit is een Keltische en dus heidense geschiedenis!) en geen verraad van Arthurs beste vriend (want het is aartsvijand Modred met wie koningin Guinevere ervandoor gaat). Maar er staan genoeg mooie verhalen tegenover; over Arthurs daden – lees hoe hij de reus van Mont-Saint-Michel verslaat – en ook over die van andere kleurrijke figuren uit de Britse `geschiedenis'. Zeer tot de verbeelding spreekt het offer van Brian, de rechterhand (of liever, de minnaar) van de zevende-eeuwse koning Cadvallo: erop uitgestuurd om wild te schieten voor zijn van verdriet smachtende heer, kan hij dagenlang niets vinden. Niet geaarzeld: `hij sneed een stuk vlees uit zijn dij, maakte een spit, roosterde het vlees en bracht het naar de koning alsof het wildbraad was.'

Hoewel niet alle bladzijden van de Geschiedenis even lezenswaardig zijn – vooral het ingelaste boek met `Profetieën van Merlijn' is behoorlijk saai – heeft Geoffrey een stijl die zelfs de wreedste veldslagen en de meest moralistische terzijdes glans verleent. Hij houdt van mooie oneliners (`Een vorst die in de oorlog zo mak is als een lam maar in vredestijd woest als een leeuw is onze achting niet waard'), van woordjes die de lezer wakker schudden (`Kijk!'), van levendige dialogen (de met vloeken doorspekte spreektaal van een van de Britse koningen doet zelfs aan de films van Quentin Tarantino denken), en hij heeft beslist gevoel voor humor. Als hij vertelt dat er bij de bouw van Shaftesbury een sprekende adelaar op de muren ging zitten, noteert hij: `Ik zou niet hebben nagelaten zijn uitspraken op schrift te stellen [...] als ik van mening was geweest dat ze op waarheid berustten.'

Aan het eind van zijn geschiedwerk richt Geoffrey zich direct tot de laatste afstammelingen van de roemruchte Britten: `Waarom, onuitstaanbaar volk,' schrijft hij, `heb je jezelf [...] in zoveel onderlinge twisten uitgeput? Hoe komt het dat je [..] als een goede wijngaard die zijn afkomst onwaardig is alleen maar wrange vruchten voortbrengt?'

Het was een moraal aan dovemansoren; de Britten beterden hun leven niet, en sleten verder een futloos bestaan in Cornwall en Wales. Ironisch genoeg werd hun apathie nog verergerd door Geoffrey's stoere verhalen over Arthur. Tenminste, dat was de mening van Willem van Newburgh, een Normandische historicus die driekwart eeuw na Geoffrey schreef dat `de meeste Britten naar verluidt zo stompzinnig [zijn] dat ze, zo zegt men, nog steeds op Arthur wachten, alsof hij terugkomt.'

Geoffrey van Monmouth: Geschiedenis van de Britse koningen. Uit het Latijn vertaald door Mark Nieuwenhuis. Athenaeum–Polak & Van Gennep, 255 blz. ƒ65,--(geb.)