Kannibalen, die zijn pas echt beschaafd

Wie heeft in de achttiende eeuw het geloof in de `nobele wilde' uitgevonden? In negen van de tien gevallen zal het antwoord luiden: Jean-Jacques Rousseau. Hij vond de moderne beschaafde mens een van de natuur vervreemd wezen en bepleitte daarom (in zijn Discours sur l'origine et les fondements de l'inégalité uit 1755) een terugkeer naar de natuur, waarin de `wilden' van de Nieuwe Wereld zich nog altijd zouden bevinden.

In tal van geschiedenisboeken is deze voorstelling van zaken aan te treffen, maar kloppen doet zij niet of nauwelijks. Rousseau geloofde niet in een mogelijke terugkeer naar de oorspronkelijke natuurstaat (die hij in zijn Discours presenteert als een abstracte constructie) en hij meende ook niet dat de Amerikaanse indianen zich daar nog in bevonden. De kreet `nobele wilde', die zo vaak met Rousseaus naam wordt verbonden, blijkt bovendien in zijn verzamelde werk niet voor te komen. Het gaat om een mythe, en wel om een mythe die een zo mogelijk nog hardnekkiger leven leidt dan de mythe van de `nobele wilde' zelf.

In zijn studie The myth of the noble savage probeert de Amerikaanse antropoloog Ter Ellingson deze kluwen van mythe en misverstand te ontrafelen. Maar niet de verkeerde interpretatie van Rousseaus gedachtengoed is zijn voornaamste doelwit (want daarin zijn diverse geleerden hem voorgegaan); wat Ellingson wil ontzenuwen is dat er in de achttiende eeuw in brede kring zo'n geloof aan de `nobele wilde' heeft bestaan. In werkelijkheid, betoogt hij, komt het hele begrip in de achttiende eeuw niet voor.

Dat wil overigens niet zeggen dat niemand ooit over de `nobele wilde' zou hebben gesproken. Het begrip doet volgens Ellingson zijn intrede in de Histoire de la Nouvelle France uit 1609 van de Franse kolonist en jurist Marc Lescarbot, die de indianen `nobel' noemt omdat zij leven van de vrije jacht, in Europa een privilege van de adel. Daarna duikt de kreet `noble savage' nog een keer op in John Drydens toneelstuk The conquest of Granada by the Spaniards (1672), maar voor een terugkeer moeten we wachten tot 1859, wanneer de Britse antropoloog John Crawfurd het dan aan Rousseau toegeschreven idee van de `nobele wilde' aanvalt, uit naam van een wetenschappelijke, maar in wezen racistische benadering van de zogenaamde `primitieve' volken.

Als Ellingson gelijk heeft, dan kan zijn boek met recht revolutionair worden genoemd. Het werpt alle idées reçues over zijn onderwerp omver; iedereen zou zich meer dan anderhalve eeuw zand in de ogen hebben laten strooien door Britse antropologen die korte metten wilden maken met het egalitaire humanitarisme dat tot 1859 dominant was in de Londense Ethnological Society. Pas nadien werd alom gesproken over de `nobele wilde', zonder dat men zich van de werkelijke bron bewust was. Ten onrechte ging men ervan uit, op gezag van Crawfurd en diens racistische geestverwanten, dat Rousseau deze bron zou zijn geweest.

Maar hééft Ellingson gelijk? Een groot nadeel van zijn boek is dat hij daarin steeds op zoek gaat naar de woordcombinatie `noble' en `savage', die met name in Frankrijk zelden of nooit voorkomt, behalve dan bij Lescarbot in de zeventiende eeuw. In Frankrijk spreekt men liever van `le bon sauvage', waarmee anders dan Ellingson doet voorkomen in feite hetzelfde wordt bedoeld als met de `noble savage' in het angelsaksische taalgebied. En bovendien: ook als de term ontbreekt, kan toch de zaak die ermee bedoeld wordt aanwezig zijn.

In tal van reisverslagen en utopische geschriften worden de bewoners van de Nieuwe Wereld uitgespeeld tegen de beschaafde Europeanen. Dat begint al onmiddellijk na de ontdekking van Amerika door Columbus, om vervolgens een topos te worden in de late humanistische literatuur. Zo relativeert Montaigne in zijn beroemde essay over de `kannibalen' het Europese superioriteitsgevoel door dit te confronteren met de `natuurlijke' zeden en gewoonten van de `kannibalen', wier vermeende `barbaarsheid' volgens Montaigne ver achter blijft bij die van hun Europese veroveraars.

Op vergelijkbare manier hebben `filosofische' auteurs van reisverhalen in de achttiende eeuw, lang vóór Rousseau, indianen tot spreekbuis gekozen voor hun verlichte kritiek op de Europese beschaving. Dat deze indianen, zoals de Huron Adario in baron Lahontans Dialogues uit 1702, nergens uitdrukkelijk `nobel' of `goed' worden genoemd, doet niets af aan het feit dat zíj de filosofisch wenselijke standpunten verkondigen. Uiteraard is hier sprake van een mythe; iemand als Lahontan legt Adario zijn eigen - volgens Jonathan Israel in Radical Enlightenment onder meer aan Spinoza ontleende - ideeën in de mond. Maar omdat die ideeën uitgaan van een `natuurlijke' kijk op de mens, ligt dat ook tamelijk voor de hand. Men ging er nu eenmaal vanuit dat de indianen dichter bij de natuur stonden dan de beschaafde Europeanen.

Op de `wilden' van de Nieuwe Wereld werden niet zelden uit de Oudheid afkomstige wensdromen over een Gouden Tijdperk geprojecteerd. Toen Columbus de Caraïbische wateren binnenvoer, waande hij zich in de buurt van het aardse paradijs. De jezuiet Lafitau vergeleek in zijn Moeurs des sauvages américains (1724) de indiaanse zeden met die van de `eerste tijden'. Tussen de mythe van de `goede' of `nobele wilde' en de mythe van het Gouden Tijdperk is daarom moeilijk een onderscheid te maken; beide mythen vallen vaak samen. Door hierin het bewijs te zien dat de mythe van de `nobele wilde' als zodanig niet of nauwelijks heeft bestaan, maakt Ellingson het zich te gemakkelijk. Met zijn strikt formalistische werkwijze miskent hij de diffuse aard van de fantasieën die in de loop der tijd op de `primitieve' Amerikaanse wereld zijn losgelaten.

Neem je de mythe wat ruimer dan Ellingson doet en staar je je niet blind op de woordcombinatie `noble' en `savage', dan valt die mythe op een bepaalde manier ook bij Rousseau terug te vinden. Weliswaar onderscheidt Rousseau de `natuurmens' uitdrukkelijk van de `wilde', maar door de eerste menselijke samenleving na het verlaten van de natuurstaat af te schilderen als de `meest gelukkige periode' die de mensheid had gekend, geeft hij zelf op z'n minst enige aanleiding voor de inderdaad foutieve identificatie van `natuurmens' en `goede wilde'. Want die periode van gelukkig samenleven, de `ware jeugd van de wereld', kwam volgens Rousseau overeen met de toestand van de `wilden' over wie de reisverslagen uit de Nieuwe Wereld berichtten.

Ellingson (die dit citaat uit Rousseaus Discours vreemd genoeg niet vermeldt) is zo overtuigd van zijn eigen gelijk, dat hij in de `conclusie' van zijn boek Rousseau zelfs een `excuus' wil aanbieden, omdat diens ideeën in later tijden zozeer zijn misbruikt. Deze hang naar excuses verraadt iets van de politiek correcte inspiratie waaruit zijn boek moet zijn voortgekomen. Voor Ellingson is de mythe van de `nobele wilde' vooral een wapen dat wordt gebruikt om de `primitieve' volken van de mensheid uit te sluiten, net zoals dat het geval was bij de negentiende-eeuwse Britse racistische antropologen, die de `wilden' juist verweten dat zijn niet `nobel' waren.

Als hedendaags voorbeeld noemt Ellingson het idee van de `Ecological Noble Savage', de `wilde' die nog in harmonie met de hem omringende natuur zou leven – een idee dat door verontwaardigde milieu-activisten in stelling werd gebracht tegen de indianen van de Makah-stam in de Amerikaanse staat Washington, toen deze in 1999 hun traditionele walvisjacht wensten te hervatten. Dat ideeën misbruikt kunnen worden, lijkt mij echter geen geldig motief om ze ook meteen elk historisch bestaansrecht te ontzeggen. Het heeft er de schijn van dat Ellingson zich al te zeer door zijn idealisme op sleeptouw heeft laten nemen.

Toch wordt zijn boek daardoor niet van alle belang beroofd. Ellingson herinnert er terecht aan dat algemeen gangbare noties als de `nobele wilde' in de praktijk heel wat minder vanzelfsprekend kunnen zijn dan ze schijnen. Ze worden te gemakkelijk gehanteerd als verzamelnaam voor een in werkelijkheid aanzienlijk complexer gedachtengoed. Door zowel Montaigne, Lahontan en Rousseau als tal van andere literaire en etnologische auteurs klakkeloos de mythe van de `nobele wilde' in de schoenen te schuiven, wordt onvoldoende recht gedaan aan het vaak zeer verschillend gebruik dat zij van deze mythe hebben gemaakt.

Het gaat alleen veel te ver om haar op grond daarvan uit de geschiedenis te verwijderen. Eerder lijkt er alle reden te zijn om de geschiedenis van de mythe van de `nobele wilde' opnieuw te schrijven, ditmaal met meer gevoel voor nuance dan men in het verleden aan de dag heeft gelegd.

Ter Ellingson: The myth of the noble savage. University of California Press, 445 blz. ƒ73,85.