Hoog op de ladder van het leesplezier

Op 5 september 1870 begon dokter Massarel in Canneville aan zijn spreekuur: in de wachtkamer zat een oud boerenechtpaar `waarvan de man al zeven jaar last had van spataderen, maar had gewacht tot zijn vrouw ze ook had om naar de dokter te gaan'. De postbode brengt de krant met het bericht dat keizer Napoleon III de dag daarvoor door de Pruisen is verslagen en dat de Derde Republiek is uitgeroepen. Dokter Massarel, `hoofd van de republikeinse partij' in zijn dorp, laat zijn patiënten voor wat ze zijn, roept zijn makkers (`Picart, Pommel en Torcheboeuf met zijn trommel') en stormt in uniform naar het stadhuis om de macht over te nemen en het volk kond te doen van zijn bevrijding. Noch de bakker, noch de slager noch de boeren kunnen veel geestdrift opbrengen voor de revolutie en zo zit de dokter de volgende ochtend weer in zijn spreekkamer, waar de spataderen trouw op hem hebben gewacht.

Het is het verhaal van Een staatsgreep, één van de vele geestige, soms bijna burleske verhalen van Guy de Maupassant (1840-1893), de meester van de negentiende-eeuwse novelle. Zo'n driehonderd schreef hij er voor kranten en tijdschriften, in zijn productiefste tijd één per dag – over de burger, over politiek, over de Normandische boer, de koloniaal, de weduwe of de ambtenaar. Met afstandelijke, droge blik, ontwikkeld onder de bezielende leiding van zijn peetvader Gustave Flaubert, zet Maupassant in een paar zinnen een decor neer, een silhouet of het wezen van een personage. Als een impressionistisch schilder brengt hij hier een vlak aan, daar niet meer dan een streek of een stip. Hij schrijft krachtig, eenvoudig, ogenschijnlijk ondubbelzinnig, maar daaronder smeult de emotie, siddert de woede en verschuilt zich de angst.

Bij uitgeverij Veen, die het prijzenswaardige voornemen heeft alle verhalen van Guy de Maupassant in het Nederlands uit te geven, verschenen inmiddels deel vier, De brandstapel, en deel vijf, Eenzaamheid, met de verhalen uit 1883 respectievelijk 1883-1884. Vooral aan het begin van beide bundels staan de vrolijker, minder beschouwende, soms ronduit kluchtige verhalen – de gesofistikeerde vorm van de middeleeuwse fabliau (Oudfranse vertelling in verzen). Daar vinden we de lofzang op de vrije liefde, de kritiek op de burgermoraal en de karikatuur van de clerus. Daar wint geldzucht het van de liefde en regeert de biecht over de portemonnee. Daar wordt het hoertje verdedigd tegenover de kilheid van de burgervrouw, daar is de wraak zoet en verschrikkelijk.

De laatste verhalen van de bundels zijn anders van toon: droefgeestiger, gedesillusioneerder en vaak geschreven in de eerste persoon. De titels van de delen vier en vijf zijn ontleend aan de laatste verhalen uit de bundels. De brandstapel (`Afgelopen maandag is in Etretat een Indische prins gestorven') is het verhaal van een groep hoge Indische heren, `naar Europa gekomen om daar de militaire instellingen van de belangrijkste volkeren van het Westen te bestuderen'. Eén van hen overlijdt, waarna de anderen de burgemeester van Etretat verzoeken toestemming te geven voor een lijkverbranding in de hindoeïstische traditie. Terwijl in het dichtbijgelegen Casino van het mondaine Etretat wordt gedanst op walsen, polka's en quadrilles, verschijnt, tegen de witte klif, de schaduw van Boeddha – boven de brandstapel waarin het stoffelijk overschot tot as vergaat. Het roept bij de verteller de verzuchting op dat hij `evenzo' wil verdwijnen: `Zo is alles maar meteen afgelopen. Dat is schoon en gezond.'

Ook het vijfde deel uit de reeks, Eenzaamheid, eindigt met een melancholiek, zelfs ronduit deprimerend verhaal: `Het was na een diner onder heren', luidt de voor Maupassant zo karakteristieke eerste zin en ondanks het feit dat `ze het zich knap vrolijk hadden gemaakt', duiken er tijdens de aansluitende wandeling over de Champs-Elysées louter donkere gedachten op in het hoofd van de verteller. De grootste kwelling in het bestaan van de mens is zijn eeuwige eenzaamheid, meent hij. Alle daden staan in het teken van een `folterende behoefte aan vereniging' die nooit plaats vindt. `Niemand begrijpt iemand' en daarom houdt de verteller voortaan `zijn ziel op slot' (`j'ai fermé mon âme').

Vrouwen zijn degenen die – hoe kan het ook anders bij Maupassant – de man het ergste kwellen. De vrouw wekt immers de illusie 's mans eenzaamheid te kunnen opheffen en is daarmee `de grote leugen van de droom'. De vrouw is gemaakt om bemind te worden en haar te behagen is de drijfveer van iedere schrijver. Wat is er erger dan vast te stellen dat zij ouder wordt, dat zij haar schoonheid verliest – en daarmee de man een onverbiddelijke spiegel des tijds voorhoudt?

De existentiële wanhoop van de verteller die in de loop van de beide verhalenbundels steeds duidelijker vorm krijgt, weerspiegelt die van Maupassant. Vanaf zijn dertigste wordt de schrijver gekweld door migraine-aanvallen en pijnen in maag- en hartstreek, die hij eerst verdooft met ether en hasj, later met cocaïne en morfine. Tegelijkertijd voelt hij zich steeds meer aangetrokken door de pessimistische filosofie van Arthur Schopenhauer. Het fantastische, hallucinerende duikt steeds vaker op in zijn leven en in zijn korte verhalen. In 1892 doet Maupassant een zelfmoordpoging om zijn door syfilis verwoeste geest niet verder aan de waanzin ten prooi te laten vallen en anderhalf jaar later overlijdt hij in een inrichting.

Behalve honderden verhalen liet hij een groot aantal kronieken na, zes romans en een aantal reisverhalen en toneelstukken. Langs de meetlat van Opzij mag Maupassant dan een dikke onvoldoende scoren, op de ladder van het leesplezier staat hij – ruim een eeuw later – nog hoog genoteerd.

Guy de Maupassant: Eenzaamheid. Alle verhalen 1883-1884. Veen, 300 blz. ƒ49,50 Guy de Maupassant: De brandstapel. Alle verhalen 1884. Veen, 350 blz. ƒ49,50 Beide vertaald door Hans van Cuijlenborg.