Het ging, maar zeker niet van harte

Onder regie van de Nederlandse regering zijn de joden na de oorlog opnieuw beroofd, aldus de historicus Isaac Lipschits. Dat kille rechtsherstel zat in de regelgeving gebakken, schrijft Gerard Aalders.

Raad voor het Rechtsherstel. Wie weet nog wat dat is? De term is zelfs uit Fockema Andreae's klassieke Juridisch woordenboek verdwenen. Hij staat voor een juridische operatie na de Tweede Wereldoorlog om mensen die door of onder dekking van de bezetter waren beroofd zoveel mogelijk te restitueren in hun bezit.

Dat dit een afgesloten hoofdstuk is, bleek heel duidelijk op 16 december 1999. Toen deed de eerste civiele kamer van het gerechtshof in Den Haag uitspraak over een claim van nazaten van de befaamde kunsthandelaar Goudstikker tegen de Staat. Het geschil gaat over de belangrijke kunstcollectie die Goudstikker moest achterlaten en waarover zijn weduwe na de oorlog tenslotte een schikking met de Staat aanging. Het gevolg is dat verschillende topstukken nu in openbare collecties hangen.

De familie beklaagt zich dat de regeling oneerlijk was. Het Haagse hof is formeel de erfgenaam van het rechtsherstel, maar verklaarde zich niet bevoegd deze klacht nu nog in behandeling te nemen. Aparte vermelding verdient de slotconclusie van de rechters: `voor het afwikkelen van verzoeken tot rechtsherstel in Nederland is een voldoende gewaarborgde procedure in het leven geroepen'.

Dit contrasteert met de herinnering die veel overlevenden of hun directe nazaten aan deze episode in onze recente rechtsgeschiedenis bewaren. Tot die conclusie kwam de historicus Gerard Aalders, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) in Amsterdam. In mei 1999 publiceerde hij Roof. De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog, een boek dat het nodige opzien baarde door nieuwe bijzonderheden.

Centraal staat in de jodenvervolging natuurlijk het niet te bevatten leed van deportatie en massamoord. Maar het economische deelaspect bleek meer dan een halve eeuw later nog zo te leven dat de Nederlandse regering een speciale commissie voor de oorlogsschulden instelde onder leiding van de commissaris van de koningin in Noord-Holland, Jos van Kemenade. Impliceert zoiets niet dat het rechtsherstel heeft gefaald?

Dat is in elk geval het gevoelen van veel betrokkenen, zo bemerkte Aalders tijdens een voordracht in Jeruzalem, dat de basis werd voor een artikel op de opiniepagina van deze krant, gepubliceerd op 25 november 1998. Toch verdedigde hij de stelling dat de uitvoering van het rechtsherstel weliswaar een lijdensweg is geweest, maar dat het als zodanig aan zijn doel heeft beantwoord. Zijn nieuwe boek bevat het huiswerk voor deze stelling.

Alsof het zo moet zijn verscheen vrijwel gelijktijdig met de studie van de NIOD-medewerker een boekje van Isaac Lipschits, De kleine sjoa. De auteur is emeritus hoogleraar eigentijdse geschiedenis maar schreef bewust niet als wetenschapper maar als betrokkene, zo men wil: als partij. Het is een bittere aanklacht geworden, niet alleen over soms bizarre centenkwesties, maar ook over oorlogspleegkinderen, uitingen van antisemitisme en de berechting van oorlogsmisdadigers. Deze kwesties worden door de auteur nadrukkelijk met elkaar verbonden. Hoe Lipschits denkt over het onderdeel rechtsherstel is wel duidelijk: een voortgezette beroving van de joden, nu onder regie van de Nederlandse regering.

Kilometers archief

Maar vindt Aalders dat eigenlijk ook niet? Hij houdt zijn voorlopige conclusie van drie jaar geleden overeind, zij het met een aantal belangrijke kwalificeringen die tenderen een eigen leven te leiden. De auteur toont zich zelf ook ietwat ongemakkelijk over de verhouding tussen onderzoeksmateriaal en oordeel. Het rechtsherstel heeft enkele kilometers archief achtergelaten. Honderden meters daarvan heeft de auteur doorgeploegd, maar zelfs zijn lijvige publicatie kan slechts een subjectieve selectie bevatten (er wordt een grote databank bij het NIOD aangelegd).

Het naoorlogse rechtsherstel was bovendien een juridisch gecompliceerde operatie. Er was niet alleen sprake geweest van regelrechte plundering, de bezetter had ook allerlei regels veranderd – en die moesten allemaal worden teruggedraaid. De Londense regelgeving bleek minder eenvoudig dan het dragende principe: geen handel met de vijand. De bezetter had ook nog eens een administratieve chaos achtergelaten.

De eerste kwalificering van Aalders lijkt voor een historische studie het minst controversieel. Hij vindt dat het rechtsherstel niet moet worden beoordeeld aan de hand van wat we nu allemaal weten maar naar de maatstaven van toen. Het is zoals de advocaat van de familie-Goudstikker opmerkte in zijn beroepsschrift voor het Haagse hof: `Rechtsherstel was een nieuw begrip'. De weduwe moest uitvinden wat te doen. Dat gold ook voor de overheid.

Een tweede voorbehoud betreft het onderscheid tussen de ambtelijke instelling die met rechtsherstel was belast (met name het zogeheten Beheersinstituut met een aantal gespecialiseerde stichtingen) en de rechters die uiteindelijk de geschillen moesten beslechten. Het is volgens Aalders vooral de rechtspraak geweest die de operatie heeft gered. Er moesten soms lastige knopen worden doorgehakt, zoals bij transacties in onroerend goed. Als een huis door vele handen was gegaan was het op zichzelf begrijpelijk dat een nieuwe eigenaar bezwaar maakte dat hij eruit moest. Voor de oorspronkelijke eigenaar was het extra wrang dat hij om zijn eigen huis terug te krijgen een advocaat in de arm moest nemen, terwijl hij zijn geld in de oorlog had moeten inleveren bij de roofbank Liro.

Roofkunst

Wat de uitvoeringsinstanties betreft, wijdt Aalders een apart hoofstuk aan de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK), waarmee de familie Goudstikker te maken kreeg. Dit hoofdstuk bevestigt de karakteristiek van de Algemene Rekenkamer die eens opmerkte dat de SNK zich gedroeg als een `acquisitiedienst' voor het Rijk ten koste van de beroofde kunstbezitters. Maar, stelt Aalders daar in zijn conclusies tegenover, de SNK heeft zich niet slecht geweerd bij de lang niet eenvoudige taak van het recupereren van roofkunst uit Duitsland.

Uiteindelijk is een respectabel aantal restituties gerealiseerd. De verklaring voor de acquisities valt voor een deel te verklaren uit de eis dat eigenaren of erfgenamen hun onder druk verkochte kunstwerken alleen konden terugkrijgen als zij de ontvangen penningen terugstortten. Dat kon in de praktijk een praktische reden zijn af te zien van een claim. Ook was er een regel dat bewust aan de Duitsers verkwanselde kunst aan de staat verviel als een soort straf voor oorlogsprofiteurs. Juridische subtiliteiten of niet, het rechtsherstel komt in elk geval zeer kil en formalistisch over.

Het kabinet-Kok heeft over dat laatste ook openlijk spijt betuigd, al was dat wel even slikken. Kil-bureaucratisch formalisme was trouwens ook het type kwalificatie dat Aalders in 1998 gebruikte. Maar daar komt hij nu met enige bombarie op terug: `Een overheid is hoe men het keert of wendt nu eenmaal een bureaucratische instantie en een bureaucratie geniet geen reputatie vanwege haar warmte, inlevingsvermogen of lotsbegaanheid. Toen niet en nu nog steeds niet'.

Het kil formalisme is daarmee niet van de baan. Het is eigenlijk erger, want het zat in de regelgeving gebakken. Een politieke en dus niet zozeer een bureaucratische attitude. De crux daarvan was volgens Aalders niet in eerste instantie een bepaalde filosofie maar vooral `de eigen misère': wie de hongerwinter in bezet Nederland had meegemaakt kon zich vermoedelijk niet eens voorstellen dat het nóg erger had gekund. Ook al was dat laatste wèl het geval. Daarbij past de kanttekening dat de Nederlandse rechtscultuur van oudsher aanhikt tegen noties als smartengeld, al komt een belangrijk precedent uitgerekend uit het oorlogsjaar 1943.

Echtscheiding

Het boek van Aalders is vooral het relaas van het juridisch tekort, beter gezegd: de kloof tussen recht als aspiratie, zoals het in de vakliteratuur is genoemd, en recht in praktijk. Het recht in actie heeft welhaast per definitie maar een beperkte oplossing van menselijke en maatschappelijke problemen te bieden. Dat geldt al bij menige echtscheiding, laat staan bij het grote onrecht van de oorlog. Als de auteur één ding van deze studie heeft geleerd, zegt hij, is het dat er niets `zo maar' of `gewoon' werd gedaan. Dat is overigens een mooie omschrijving van bureaucratisch formalisme.

Het trefwoord van het naoorlogse rechtsherstel was restitutie. Om dat te realiseren moest er wel iets te restitueren zijn. Schadevergoeding bij verdwenen bezit was in de woorden van Aalders `een ander traject'. Ook dit onderscheid vormt een kwalificering van zijn eindconclusie dat het rechtsherstel door de bank genomen heeft gewerkt. Het nam vooral zijn tijd: de auteur voegt aan zijn beschrijving van het Nederlandse rechtsherstel, dat formeel in 1967 werd afgesloten, een hoofdstuk toe over de Duitse Wiedergutmachung en refereert tot slot nog even aan een `renaissance' in de tweede helft van de jaren negentig naar aanleiding van de Zwitserse banktegoeden.

De jongste geschiedenis is opmerkelijk, want juridisch gezien fungeert de verjaring zelfs bij roof en plundering als de grote gelijkmaker. Deze grens is in veel opzichten gepasseerd. Het rechtsherstel van weleer lijkt echter bezig aan een rentrée in de vorm van morele — maar daardoor niet minder dwingende — aanspraken. Maar dat is een ander — zij het ook onwennig — chapiter.

Gerard Aalders: Berooid. De beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945. Boom, 464 blz. ƒ49,90

Isaac Lipschits: De kleine sjoa. Joden in naoorlogs Nederland. Mets en Schilt, 208 blz. ƒ49,58