Een standbeeld voor Brinkhorst

Het was in de zomer van 1998 dat Laurens Jan Brinkhorst, europarlementariër voor D66, zich uitermate verheugd toonde over het onderhandelingsresultaat dat zijn partijgenoten in Den Haag tijdens de kabinetsformatie hadden weten te bereiken. D66 was dat jaar bij de Tweede-Kamerverkiezingen bijna gehalveerd, maar had bij de prolongatie van het paarse kabinet slechts één van de vier ministersposten hoeven in te leveren. Maar één bedenking had hij wel, zo liet Brinkhorst in kleine kring weten. Wat moest D66 toch in vredesnaam met het ministerie van Landbouw, want daar had zijn partij toch helemaal niets mee?

Wat D66 met Landbouw moet is nog steeds niet duidelijk, maar wat de boeren aan Brinkhorst hebben is inmiddels meer dan bekend. ,,Een koele saneerder'' noemde voorzitter Doornbos van de boerenbelangenorganisatie LTO hem eind vorig jaar. Het is uiterst mild vergeleken met de kwalificaties die Brinkhorst nu dagelijks van boeren naar zich toegeslingerd krijgt. Waar hij ook komt in het land wordt hem nageroepen dat hij een moordenaar is. Een groot deel van de boerenstand ziet in de persoon Brinkhorst al het kwaad verenigd dat hun op dit moment wordt aangedaan. Het knappe is dat Brinkhorst zelf geen krimp geeft. Nog niet.

In tijden van crises leert een volk zijn bestuurders kennen. Dat geldt nu de mond- en klauwzeercrisis in Nederland volop heeft toegeslagen in het bijzonder voor iemand als Brinkhorst. Hij heeft het volste begrip voor de bezwaren en de emoties van de boeren tegen de grootscheepse preventieve vernietiging van gezonde dieren, maar gaat ondertussen onverdroten door met dit zo omstreden beleid. Het is besturen tegen de beelden en de tranen in en dat is knap.

Wat Brinkhorst doet is een strijd strijden, waarvan de meeste direct betrokkenen de noodzaak niet inzien. Het is het langetermijnbelang van een abstract iets als `de sector' tegenover het kortetermijnbelang van de getroffen boeren. Natuurlijk is vaccineren de snelste en diervriendelijkste oplossing van de huidige mond- en klauwzeer epidemie. Maar het gevolg zal zijn dat het vee Nederland niet meer uitkan, omdat Europa geen ingeënte dieren wil hebben. En de Nederlandse veestapel overtreft het aantal inwoners nu juist vele malen omdat de dieren vooral voor het buitenland zijn.

Op termijn zou een Nederlandse `inentingsalleingang' dan ook alleen maar kunnen leiden tot massale bedrijfssluitingen. Voor de beesten die als levend halffabrikaat van hot naar her door Europa getransporteerd worden, zou dat overigens allesbehalve een ramp zijn, maar daar gaat het nu niet om. Ook niet aan de orde is de vraag of het Europese non-vaccinatiebeginsel zinnig is. Inderdaad, hoe cynisch moet je zijn om dit beleid te verdedigen. Maar dat neemt niet weg dat de Brusselse `liever-vernietigen-dan-inenten-politiek' voor dit moment simpelweg een gegeven is. Voor het landbouwbeleid geldt bij uitstek dat Brussel niet iets `ver weg' is, maar dat we dat zelf zijn.

Aan Brinkhorst de taak dit moeilijke, rationele verhaal te verdedigen en de rug recht te houden. Voorlopig kan hij daarbij nog rekenen op de steun van een meerderheid in de Tweede Kamer, maar oppositiepartijen als het CDA en GroenLinks hebben inmiddels afgehaakt. Hetzelfde geldt voor Brinkhorsts partijgenoot Jan Terlouw die het gisteren in een vraaggesprek met het Reformatorisch Dagblad had over een kafkaiaanse situatie. ,,Ik begrijp nog steeds niet op grond van welke juridische wet we verplicht zijn zo te handelen. Om over een zedelijke wet nog maar niet te spreken'', aldus Terlouw.

Emotioneel is een dergelijke opmerking nog wel te plaatsen, maar voor de rest maakt Terlouw hiermee duidelijk waar het Nederlandse politici zo vaak aan ontbreekt: doortastendheid. Het is nog maar enkele weken geleden dat het overheidsbestuur over de hele linie werd bekritiseerd. Enschede en Volendam waren de synoniemen voor een lakse en niet-optredende overheid. Voorzitter Oosting van de commissie die de vuurwerkramp in Enschede onderzocht, introduceerde het begrip `culturele revolutie'. Er was volgens hem geen overheid op een voetstuk nodig, maar wel een overheid die voet bij stuk houdt. Slechts weinigen spraken Oosting tegen.

Minister De Vries van Binnenlandse Zaken begreep wat er van hem verwacht werd. ,,Sommige dingen moet je gewoon vanaf de top regelen. Met dwang, met druk. Je moet de lagere regionen duidelijk maken dat je het als overheid maar op één manier wilt'', zei hij daags na het verschijnen van het rapport van de comissie-Oosting. Onverwacht snel heeft zich de eerste testcase voor het nieuwe denken aangediend. Wat Brinkhorst nu doet is het in praktijk brengen van die verticale, van boven naar beneden dirigerende overheid. Het is tekenend dat bij deze eerste gelegenheid waar de overheid zich manifesteert als handhaver van beleid (iets waar het dus in Volendam en Enschede aan had ontbroken) de kritiek op diezelfde overheid wederom massaal is. Kritiek die niet beperkt blijft tot het met emotionele televisiebeelden gevoede publiek, maar ook geventileerd wordt door burgemeesters voor wie de denkhorizon niet verder gaat dan de gemeentegrens. En wat te denken van de juridische spitsvondigheden waarmee een enkele kortgedingrechter de bestrijding van de mond- en klauwzeercrisis wist te vertragen?.

Er was een optredende overheid nodig, oordeelde het verontruste volk en zijn vertegenwoordigers nog maar enkele weken geleden eenstemmig. Met Brinkhorsts aanpak van de mond en klauwzeercrisis is die strenge overheid er gekomen. Hier is een bestuurder aan het werk die bereid is het populisme te trotseren. Brinkhorst zal voor velen de grote boosdoener blijven. Maar als dienaar van de publieke zaak verdient hij een standbeeld.