Een goed gedicht is gatenkaas

Zijn `onbegrijpelijke' dichters beter dan `begrijpelijke'? En wie bepaalt dat: de dichter of de lezer? Vragen aan de vooravond van de Nacht van de Poëzie. En bij de jurering van de VSB-poëzieprijs.

De dichters die morgenavond optreden tijdens de 21ste Nacht van de Poëzie in Utrecht, zoals Astrid Lampe, Patty Scholten en Marjoleine de Vos, betreden niet alleen het podium. Ze betreden ook een strijdtoneel.

Want zoals in de jaren tachtig de dichtersgroep `de Maximalen' zich afzette tegen de `dichters van de stilte', zo worden de hedendaagse Nederlandse dichters in twee kampen ingedeeld. Dat doet in ieder geval de jonge dichter Ilja Leonard Pfeijffer.

Het begon allemaal toen `jonge' dichters als Erik Menkveld (toch ook geen twintig meer), Ingmar Heytze en Pfeijffer door bloemlezer en dichter Ruben van Gogh op één hoop werden gegooid in de bloemlezing Sprong naar de sterren (1999). Van Gogh omschreef het werk van zijn collega's als `heldere, toegankelijke gedichten. Niks cryptisch. Niks hermetisch.'

Maar daar wilde Pfeijffer niks van weten. Hij splitste zich af van de groep dichters die Van Gogh beschreef, in het artikel De mythe van de Verstaanbaarheid in het blad Bzzlletin (oktober 2000). Hij schreef: `Onbegrijpelijke poëzie is altijd beter dan makkelijke poëzie'. Een goed gedicht weerspiegelt volgens hem de complexiteit van het menselijk denken, en kent daarom een hoge `inelkaargewikkeldheid'.

Om de boel op te poken onderscheidde Pfeijffer rappende podiumdichters van dichters die onalledaags orakelen, waarbij de laatsten op zijn sympathie konden rekenen. Vanzelfsprekend rekende hij zichzelf tot de beter orakelende `profeten'.

Nu waren er opnieuw dichters in een hokje geduwd, en hokjes, daar willen dichters altijd weer uit. Vandaar dat direct na het verschijnen van Pfeijffers artikel door een aantal podiumdichters op de site www.epibreren.com de woede werd verzameld van bijna alle `verstaanbare dichters', zoals Pfeijffer ze noemde.

`Het pedante kind' Pfeijffer heeft `raaskallend' een onderscheid gemaakt op basis van `ongefundeerde egomanen-onzin', valt er op de site te lezen. `Het' stapelde leugen op leugen en zoog zo twee groeperingen uit z'n duim. De bij elkaar geschaarde dichters hebben niets anders met elkaar gemeen dan dat zij dichten. Bovendien zijn `verstaanbaar' en `onbegrijpelijk' vage begrippen, aldus de boze `verstaanbaren', wat Pfeijffers schotschrift volgens hen tot een `jammerlijk brevet van onvermogen' maakt. ,,Poëzie'', stelt Serge van Duijnhoven, ,,is geen estafette waar maar een groepje atleten in het stadion kan winnen.''

Een persoonlijke voorkeur voor onbegrijpelijke poëzie is een ding, maar deze tot maatstaf verheffen gaat te ver, aldus de in hun wiek geschoten dichters.

Krankjorum

Afgelopen januari verklaarde Pfeijffer in Volkskrant Magazine sussend dat hij zijn essay vooral `een beetje gezellig' had proberen te maken. En Menno Wigman (een goede want `onbegrijpelijke' dichter) liet onlangs in HP/De Tijd weten de door Pfeijffer aangezwengelde discussie `volstrekt krankjorum' te vinden, wat hem terstond een plekje op de site van de podiumdichters opleverde.

Kortom, de discussie duurt voort. Uit alle reacties blijkt dat Pfeijffer met zijn betoog iets raakt bij de dichters.

Sommigen vinden dat Pfeijffer te hoog van de toren blies en misschien deed hij dat ook wel. Maar hij heeft een poging gedaan om literaire oordelen - wat is goede en wat is slechte poëzie? - aan te scherpen en dat is altijd zinvol.

Met Pfeijffers eis van onbegrijpelijkheid valt misschien iets te zeggen over de nominaties voor de prestigieuze VSB Poëzieprijs 2000, een prijs voor de beste poëzie van het afgelopen jaar die in juni wordt uitgereikt. Maken genomineerden Patty Scholten, Marjoleine de Vos, Martin Reints, Paul Claes, Gertrude Starink, Astrid Lampe en Kees Ouwens allemaal onbegrijpelijke, dus goede poëzie? En wat is dan de beste bundel?

Zelf hebben deze dichters zich (nog) niet uitgelaten over Pfeijffers woorden. Marjoleine de Vos interviewde voor deze krant twee van de `ingewikkelder' dichters maar dat zegt niks. En Kees Ouwens zei dat poëzie best lastig mag zijn.

Misschien zijn de genomineerden de leeftijd voorbij dat ze zich over deze strijd druk willen maken, en is deze hele tweedeling en de opwinding daarover vooral een jongerenstrijd.

Hun bundels nodigen in ieder geval niet direct uit tot een discussie over verstaanbaar versus onbegrijpelijk.

Valt dan te bepalen of de genomineerden in een van beide door Pfeijffer benoemde kampen horen? Misschien om het zichzelf wat makkelijker te maken, kijkt Pfeijffer in zijn betoog enkel naar de kant van de maker. Hij vertelt hoe een goed gedicht tot stand komt. Volgens hem moet een dichter `als een profeet orakels balken', risico's durven nemen. Dat klinkt heel bevlogen, maar is daarmee duidelijk of en hoe een gedicht onbegrijpelijk is?

Neem bijvoorbeeld Kees Ouwens. Zijn gedichten in de genomineerde bundel Mythologieën spoelen als golven aan. Ze zijn hortend en stotend, soms in vlokken gestrand op de pagina, dan er weer breed over uitgevloeid. Vindt Ouwens dat hij risico's genomen heeft? Dat weet je als lezer niet. Je weet alleen dat je, als lezer, zelf risico moet durven nemen om deze poëzie te doorvoelen.

Verstaanbaarheid

Er is een eenvoudiger manier om gedichten in te delen in `moeilijk' of `makkelijk'. Een dichter kan kiezen voor hapklare brokken taal, woorden die samen een zin vormen. Het basisprincipe van de geschreven taal is dat iedere zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt. Hoe meer dit principe verlaten wordt, hoe meer van de lezer wordt gevergd. (Waarmee overigens niet gezegd is dat alles wat tussen een hoofdletter en punt staat daarom begrijpelijk is).

Door de genomineerde dichtbundels voor de VSB Poëzieprijs op deze manier te bekijken, valt er misschien iets meer te zeggen over de `verstaanbaarheid' of `onbegrijpelijkheid' van deze gedichten, en poëzie in het algemeen.

Twee van de zeven dichters gebruiken heel traditioneel hoofdletters en punten voor iedere zin in hun gedicht. Patty Scholten en Marjoleine de Vos hebben daar ieder zo hun reden voor. Scholten verweeft in haar sonnettenbundel Een tuil zeeanemonen historische bronnen met taal van nu, zodat woorden als `fatzoen' en `Batman' of `ufo' familiair naast elkaar staan. Dat heeft alles te maken met haar thema: het door de eeuwen heen blijven bestaan van specifieke dier- en plantensoorten. Bij de traditionele vorm die ze voor deze gedichten gebruikt, hoort ook traditionele taal, en dus gewoon hoofdletter- en puntgebruik.

In Zeehond graag van De Vos valt het hoofdletter- en puntgebruik nauwelijks op, zo gewoon is het, en dat is waarschijnlijk ook de bedoeling. Haar hoofdpersoon Mevrouw Despina vecht met lichte humor tegen het verglijden van de tijd. Mythologische en bijbelse beelden ondersteunen de strijd en maken die universeel. Het traditionele gebruik van hoofdletters en punten in meerdere zinnen per gedicht versterkt dit universele aspect.

Parlandostijl

Er zijn ook dichters genomineerd die minder traditioneel werken. Martin Reints en Paul Claes gebruiken alleen hoofdletters en punten als begin en eind van ieder gedicht. In Reints' bundel Tussen de gebeurtenissen wordt de lezer onverwacht en bliksemsnel van de sokken gereden. Doordat de gedichten allemaal beginnen met een hoofdletter en eindigen met een punt krijgen ze snelheid. De alledaagse onderwerpen `ergens in het huis staat een centrifuge te draaien' en de parlandostijl `zoals dat heet' suggereren dat er niets aan de hand is, tot er plotseling een filosofische diepte gaapt die de alledaagsheid doet vergeten. De materie die je omringt is na het lezen van deze gedichten niet langer vanzelfsprekend meer.

Claes' Grieks-mythologische vertellingen in Glans/Feux vormen door één hoofdletter en één punt per gedicht sterke, afgeronde verhalen, en dat is ook nodig, want ieder gedicht kent zijn tegenvoeter, in taal en dichtvorm. Aan de ene kant staat een Frans sonnet, aan de andere kant de vertaling daarvan in een kwatrijn. De thematisch tegengestelde paren zoals Oreste en Electra, La Vierge en Sfinx, maken de universele glans van deze mythen weer even zichtbaar. Claes perst van zijn verhalen kogels die door de barrière van de tijd heenschieten.

De andere drie genomineerden hebben lak aan de lezer. Zij lappen de regels van de taal aan hun laars. Gertrude Starink, die maar liefst met twee bundels tegelijk is genomineerd (De weg naar Egypte zeventien passages 1993-1999 en De weg naar Egypte twintig passages 1999) verkeert in alchemistische sferen, en ook haar hoofdletters en punten zijn verdwenen.

Astrid Lampe gebruikt de hoofdletter in De sok weer aan enkel nog als grap (`ee// ja// Q// leer') en bij Kees Ouwens is de punt een haperend stopteken, dat het horten en stoten van de bundel versterkt. `Omschrijf het maar spreek het niet uit', fluistert Starink in haar gedichten, en dat doen deze dichters alledrie. Zij zijn de alchemisten, de onbegrijpelijken, degenen die wat Pfeijffer betreft de VSB Poëzieprijs zouden moeten winnen omdat hun poëzie per definitie beter is.

Bezie je de genomineerde bundels op deze manier, dan blijkt dat de jury van de VSB Poëzieprijs, waarin Theo de Boer, Anneke Brassinga, Elke Brems, Kees Fens en Juan Heinsohn Huala zitting hebben, het niet met Pfeijffer eens is. De jury nomineerde zelfs meer `makkelijke', min of meer traditionele hoofdletter-puntgebruikers dan `moeilijke' dichters.

Maar met hoofdletters en punten alleen zijn we er natuurlijk niet. Door op die manier poëzie als `moeilijk' of `makkelijk' te bestempelen beperken we ons tot vorm en grammatica, maar poëzie is meer dan syntaxis.

Poëzie is ook klankkleur en associatie, betekenis. Poëzie kan je op onnavolgbare wijze plotseling in je ziel raken, zelfs tranen in je ogen doen opwellen, zoals het gedicht `Mevrouw Despina wordt ouder' van De Vos bij mij deed. Ze `Verbijt wat/ niet kwam en staart zich aan'. Ben je een moment breekbaar, dan raakt een gedicht over het vervliegen van de tijd makkelijker het hart. De prikkende ogen of ingehouden adem zijn afhankelijk van de ontvankelijkheid van de lezer, alleen die geeft de woorden geladenheid.

Pfeijffer vergeet dus iets als hij alleen van het standpunt van de dichter uitgaat bij zijn indeling.

Het gaat niet alleen om `inelkaargewikkeldheid': van ieder gedicht valt met een beetje moeite immers chocola te maken. Zelfs de dichters die hoofdletters en punten niet meer als ordeningsprincipe gebruiken, dichten eigenlijk heel begrijpelijke `zinnen'.

Neem Starink, die de lezer een handreiking doet: `als je een stukje mist het is aan jou/ de pasbaarheid te vinden en aan jou/ als jij de delen anders wilt verbinden'. Zij legt de invulling bij de lezer en laat die vrij. Pfeijffer vergeet in zijn betoog de kant van de lezer, die volgens mij veel belangrijker is. Want de dichter heeft eigenlijk geen boodschap aan `goede' poëzie. Een dichter voelt een noodzaak tot dichten en brouwt daar taal van. Of daar vervolgens een goed of slecht gedicht uitkomt, kan hij zelf nauwelijks beoordelen. Tenzij de dichter lezer wordt. Het is tenslotte de lezer die zijn fantasie en mensenkennis moet aanspreken, daar waar de dichter gaten in de tekst laat. Een goed gedicht biedt associatierijkdom, een goed gedicht is gatenkaas.

En wil die goed smaken, dan gaat het erom of jij als lezer weleens een diva met hoedenpen in zee hebt zien zwemmen, een zeehond hebt bekeken, archiefkasten door de lucht hebt zien waaien, Orpheus hebt zien omkeren, een wijnkruik uit twintig scherven hebt opgebouwd, slechte shampoo gebruikte en of je je weleens hebt afgevraagd of dit alles volstaat. Misschien moeten we het daarom wel helemaal niet meer hebben over onbegrijpelijk en verstaanbaar, maar over open en gesloten. Hoe meer omschrijving, hoe geslotener het beeld en hoe minder de lezer zelf kan invullen. Hoe opener, onsamenhangender en associatiever, hoe meer de lezer om handen heeft. En wat dan beter is?

Doodeenvoudig

Mijn voorkeur gaat uit naar open poëzie, maar of dat goede poëzie is hangt sterk af van de belezenheid en levenskennis van de lezer. Echte kaas moet je tenslotte ook leren eten. Goede poëzie groeit met de lezer mee.

Dat neemt niet weg dat het best leuk is als de dichter soms wat hapklare brokjes snijdt, zoals Astrid Lampe doet. Zij lokt haar lezers haar gedichten binnen met leesaanwijzingen en waarschuwingen: `wacht maar af', en `vat dit niet te persoonlijk op'. Haar adagium is doodeenvoudig:

de snelste manier om klaarheid inzake deze te verkrijgen

is om eerst-eens-even

mooi alles te laten liggen

waar het terechtkwam

Lampe zet gewaagde brutaliteit in. Dat daagt de lezer uit. Lampes gedichten vind ik de beste, niet alleen om hun `inelkaargewikkeldheid', of omdat Lampe geen hoofdletters en punten gebruikt, maar omdat haar combinatie van luchtigheid, lef en gevoelige diepgang (`kijk, dit brengt ons ergens!') mij verrast. Ze is rauw en heeft humor. Lampe toont het dierlijke in de mens en legt oerdriften bloot (`door hem hongerig te houden/ dwingt de wolvin haar partner/ steeds weer opnieuw/ op rooftocht te gaan'), zonder dat het verstikkend wordt, want daar zorgt de lach wel voor. Tenminste, dat denk je, al lachend, want ondertussen duwt Lampe je toch doodleuk naar de rand van de afgrond. De werkelijkheid is hard. Je daar recht door zee en tegelijk met omtrekkende bewegingen van te overtuigen, vergt lef en gevoelige daadkracht.

Zo kom ik tot dezelfde conclusie als Pfeijffer dat poëzie de complexiteit van het menselijk denken moet weerspiegelen maar langs een andere weg.

Want in goede poëzie proef je risico, niet omdat die onbegrijpelijk is, maar omdat vrolijke eerlijkheid je met heel je lichaam naar de rand duwt.

Op de Nacht van de Poëzie, morgenavond in het Utrechtse Vredenburg, treden op Astrid Lampe, Patty Scholten, Marjoleine de Vos en Ilja Leonard Pfeijffer, die de avond opent.