Een beest in vele gedaanten

Zijn de komende verkiezingen de laatste kans om de Britse natie te redden? Globalisering en Brussel ondermijnen de `Britishness'. In de nationale identiteitscrisis doen de eilandbewoners aan introspectie. Nostalgie biedt geen soelaas. Maar een frisse, onbevooroordeelde blik op de geschiedenis misschien wel.

Stress? Tijdgebrek? Grote veranderingen? Therapeuten adviseren dan: houdt de dingen in perspectief en bekijk je opties door een lijstje te maken. Misschien helpt het. Misschien ook is het maken van lijstjes juist een symptoom van de moderne neurose.

Een jonge generatie gestressten uit de Engelse letteren doet het in elk geval dwangmatig. Zoals Rob, de ongelukkige minnaar uit Nick Hornby's High Fidelity en Helen Fieldings Bridget Jones (`1. Be hippy-style traveller, 2. Lose weight through mild, ideally not life-threatening diet, 3. Get subtle biscuit-style suntan').

Helpt een lijstje ook tegen een nationale identiteitscrisis? Je zou denken dat het de bedoeling is van British Greats, een bundel mini-portretten van 78 `typisch Britse verschijnselen', beschreven door bekende Britten en riant geïllustreerd. Van de Londense taxi tot Sergeant Pepper, van de overwinning op de Armada tot de openbare gezondheidszorg, en van een obsessie met het weer tot de brievenpagina van The Times. Natuurkundige Richard Dawkins schrijft over Darwin, oud-Labour-leider Neil Kinnock over Welshe mannenkoren en historicus Asa Briggs over de Magna Carta, een soort grondwet.

British Greats moet anglofiele clichézoekers aanspreken. Op het hoofdkantoor van de British Tourist Board liggen er stapels van. Het lijkt ook een bezweringsformule voor eigen gebruik in turbulente tijden. Wat Brits was, sprak vroeger vanzelf en buitenlanders hebben er nog steeds weinig moeite mee. Maar de Britten doen nu aan introspectie.

De globalisering en Brussel zuigen steeds meer macht weg uit Londen. De keuze tussen meepraten in Europa of morrend aan de zijlijn blijven staan, die de eilandbewoners vaak hebben uitgesteld, is met de gemeenschappelijke munt onvermijdelijk geworden. De komende verkiezingen, die premier Blair een nieuwe termijn kunnen bezorgen, zijn door de Tories al uitgeroepen tot de laatste kans om de natie te redden.

Het Britse Imperium is al lang niet meer, maar tot een oudere generatie lijkt het pas nu door te dringen. Er is geen boeman meer in Moskou of Berlijn, niet één geloof dat de Britten bindt. Door Schotland, Wales en Noord-Ierland politieke autonomie te geven, heeft premier Blair het Koninkrijk in korte tijd nog een stuk minder Verenigd gemaakt. Geen wonder dat veel Britten, vooral de Engelse Britten, graag willen weten wat het cement van hun natie is.

British Greats is niet het eerste lijstje dat die kwintessens wil vatten. Premiers als Stanley Baldwin en recenter John Major deden het ook al eens. Net als hofdichter John Betjeman en BBC-presentator Jeremy Paxman, in The English (1998). Zij hadden weer als voorbeeld George Orwells essay `England your England' (1941).

De lijstjesmanie begint zo op een typisch-Engels trekje te lijken. Het zou wel eens de keerzijde kunnen zijn van wat Orwell ziet als hoofdbestanddeel van het Engelse volkskarakter: `het ontbreken van de behoefte aan een geordend denksysteem, en zelfs het nut van logica.'

Is British Greats een geslaagde poging? Ja, tot op zekere hoogte. Het uitgangspunt van samensteller John Mitchinson om de Britishness te willen vieren kleurt zijn keuze. Wel de slag bij Azincourt, The Battle of Britain en Trafalgar, maar geen Charge of the Light Brigade of Duinkerken. Niet dat dit boek een militaire encyclopedie had moeten zijn, maar de twee opgenomen overwinningen hadden wel wat tegenwicht kunnen gebruiken om te laten zien dat `glorieuze nederlagen' ook een grote rol in de nationale psyche spelen. Zo ontbreken ook de hooligan, de tienermoeder, brandende koeien, treinrampen en de Engelse loodgieter nogal opvallend naast het theedrinken, de liefde voor tuinieren en de Proms.

Sommige onderwerpen in British Greats lijken simpelweg te vaag of te groot. De Engelse taal bijvoorbeeld. Misschien had de Amerikaanse Engelsman Bill Bryson, die over dat onderwerp al een boek schreef (Mother Tongue), het in twee pagina's afgekund. Maar de bijdrage van tv-presentator Melvyn Bragg is niet meer dan een schoolopstel. Hetzelfde geldt voor het onderwerp Britse humor. In veel bijdragen klinkt die mee tussen de regels, maar nou net niet in het hoofdstuk waarin Howard Jacobson – als Independent-columnist nogal geestig – wil uitleggen wat we eronder moeten verstaan.

Daar staat weer tegenover dat de beste bijdragen, sentimenteel als ze soms zijn, hun onderwerp ontstijgen. Ze zeggen iets bijzonders én iets algemeens. Zoals de onvermijdelijke pagina over cricket. Dat spel, schrijft sportverslaggever Mihir Bose, wordt nog steeds bezield door typisch Engelse eigenschappen als `liefde voor ironie, een algemeen verlangen hype te vermijden, wat van understatement soms een kunstvorm lijkt te maken, en bovenal door een diepe afkeer van alles wat riekt naar teveel inspanning en voorbedachten rade.'

Bose bedoelt niet dat het Engelse cricketteam uit gentlemen-amateurs bestaat die nooit trainen. Wèl dat de achteloos-superieure act op het veld zeker zo belangrijk is, succes of niet. En dat gaat over meer dan alleen cricket. Want voor die mannen in gebreide witte truien kun je ook Britse beursjongens, Britse EU-onderhandelaars of Britse peacekeepers op de Balkan invullen.

In zijn stuk over de econoom Keynes die de vrije markt geen vrije teugel wilde geven, legt Will Hutton indirect maar glashelder ook de laatste dertig jaar van politiek-economisch worstelen uit.

Volgens de historicus Andrew Roberts speelde Churchill in zijn `politiek-incorrecte' redevoeringen uit 1940 effectief in op sluimerende `stam-gevoelens', omdat het Britse volk voor zijn leven vreesde. Utopische pleidooien over broederschap of democratie zouden toen niet geholpen hebben. Dat zegt net zoveel over de rethoriek van een Margaret Thatcher, die óók voor het uitsterven van de Britten vreesde, maar dan anders. En over een Tony Blair, die weigert zijn constitutionele sloopwerk als gevaarlijk te beschouwen.

De rode telefooncel, de Mini en de kleermaker van Savile Row, die British Greats in extenso beschrijft, zijn niet meer dan Britse accessoires. Of, met een ander beeld, rimpels op het water. De beste stukken in dit boek peilen ook de stroming en de diepte daaronder.

Dat willen ook opvallend veel historici de laatste jaren. Zelfvertrouwen hebben ze de Engelsen daarbij niet gegeven. Linda Colley, een Amerikaanse hoogleraar aan de London School of Economics die met haar boek Britons, Forging the Nation 1707-1837 de trend zette, schetst het Verenigd Koninkrijk als een verstandshuwelijk van Engelsen en Schotten, gebaseerd op zakelijk gewin. Het Britse imago dat de Unie voor zichzelf construeerde heeft wat haar betreft zijn beste tijd wel gehad.

De Schots-Ierse historicus Tom Nairn trekt in After Britain die lijn nog een stukje door. Blairs `halve hervormingen' zullen de `opgeschorte soevereiniteit' van Schotland tot leven wekken en de Unie uiteen doen vallen, gelooft hij. Niet dat er geen nieuw verband van `burgerlijk nationalisme' denkbaar is op de Britse eilanden, maar dat heeft volgens hem niets meer met het door Londen geforceerde idee van `etnische eenheid' te maken. En Norman Davies, ook een `politieke professor', schetst in zijn eurofiele pil The Isles de Engelsen als een voortdurend veranderend bastaardvolk met zoveel continentaal en Keltisch bloed dat zelfs de naam maar het beste kan worden afgeschaft.

Het wegvallen van oude zekerheden schept behoefte aan troost, zoals blijkt uit de boom in de Engelse nostalgie-industrie. Zie de opbollende ledenlijst van English Heritage, die kastelen en landgoederen beheert. Zie het succes van de winkelketen Past Times met zijn Shakespeare-mokken en Vera Lynn-cd's. Of het miljoenenpubliek voor het geschiedenis-hoorspel This Sceptred Isle, gebaseerd op het werk van Winston Churchill, die als historicus geloofde in een uitverkoren, heroïsch eilandras met het patent op vooruitgang en democratie.

England, an elegy, van de Conservatieve filosoof Roger Scruton, is troost, klaagzang en waarschuwing tegelijk. `De weg vooruit is de weg terug', zei hij bij een andere gelegenheid. `De Engelsen moeten Engeland heroveren.' Het is de kortste samenvatting van zijn boek.

Engeland was het groene thuisland van de Engelsen in de tijd van het Empire, betoogt Scruton. Zoals de Schotten Schotland, de Ieren Ierland en de Welsh Wales als hun vaderland bleven zien. Dat was hun ware nationaliteit. Een Britse nationaliteit heeft wat hem betreft alleen bestaan als Ersatz voor bewoners van de koloniën. Er waren en zijn zwarte Britten en Britse Bengalen, maar geen zwarte of Bengaalse Engelsen, aldus Scruton. Nu het rijk is verdwenen en de Engelsen zich geen zelfstandige Europese natie kunnen noemen, moeten ze hun natie — Scruton spreekt van een imagined community — opnieuw ontdekken én opeisen.

Hij weet al hoe die moet worden gedefinieerd. Niet als één ras of strak afgegrensde staat, hoewel sommige historici de contouren daarvan in de Angelsaksische tijd wel zien, maar als `een plek gewijd door tradities' — wat Scruton-speak is voor `thuis'. In zijn column in de Financial Times beschrijft hij wekelijks die tradities voor het stukje platteland in Wiltshire, waar hij een boerderij heeft met een potkachel, leren leunstoelen en goede wijn (uit Frankrijk). Zijn thuis komt ook in England, an elegy veel voor. Zowel zijn huidige, als dat van zijn jeugd.

Zo schrijft hij ontroerend over zijn vader, een arme arbeider die opklom tot onderwijzer en levenslang Labour-activist bleef. En hij wijdt prachtige en onthullende passages aan de grammar school, de gymnasiale kostschool waar hij werd gevormd. Maar in dit recente boek kiest hij meestal voor een wijdere horizon. Bijvoorbeeld door de Engelse `gemeenschap' af te zetten tegen de mediterrane.

De laatste is `compact, warm, verbonden door eer en verwantschap', het is er een van `bloedbroeders.' De Engelse society is daarentegen `verspreid, koud, gereserveerd, niet gebonden door eer of verwantschap maar door eerlijkheid, fair play en de rule of law'. De Engelsen `namen geen wraak voor misdaden, maar straften met onpartijdig recht'. De maatschappij was `open en zonder grenzen en overleefde door onderhandeling en compromis' en onderstreepte zijn eigenheid bijvoorbeeld met een eigen los-vast geloof, en een eigen munt- en matensysteem.

Zulke passages zijn de sterkte en de zwakte van het boek. Het is krachtvoer voor xeno- en eurofoben, maar er zit ook wel iets in. Engelse pints en pounds verhouden zich tot continentale meters en kilo's inderdaad als the reasonable tot the rational, zoals Scruton schrijft. En de pragmatische Anglicaanse Kerk is inderdaad een `ruime tent', een soort Derde Weg tussen protestants en katholiek. Maar het ideale Engeland dat hij beschrijft, en de culturen waarmee hij het contrasteert zijn karikaturen.

De Britten hebben helemaal geen patent op fair play en compromissen sluiten, en Italië is meer dan de vendetta. Scruton beschrijft vaak herkenbare trekjes van het blanke deel van zijn landgenoten, maar die vormen in het echt geen systeem, geen hermetisch volkskarakter, zoals hij graag wil. Je zou haast zeggen dat het allemaal nogal on-Engels, bijna Duits is gedacht. Dit boek mag vol staan met geschiedenis, het is natuurlijk een pamflet, propaganda. Tegen het continent aan de horizon en tegen Tony Blairs moderne tijden, waarin Scruton zich een balling voelt. Dat is zijn goed recht, maar het bewijst niet veel. Behalve misschien dat het goed is in het algemeen stil te staan bij wat verdwijnt.

De Engels-Amerikaanse hoogleraar Simon Schama, auteur van The Embarassment of Riches en een studie over Rembrandt, heeft geen boodschap. `Geschiedenis, vooral de Britse met zijn opeenvolging van opwindende miniaturen, moet zijn wat haar meest begaafde vertellers steeds hebben beloofd: niet alleen instructie maar ook plezier', schrijft hij in A history of Britain.

In dat boek, eind vorig jaar verschenen bij de gelijknamige en door hemzelf gepresenteerde tv-productie voor de BBC, voegt Schama de daad bij het woord. Het zou onmiddellijk op alle middelbare scholen verplicht moeten worden. Zeker, er staan een paar kaartjes in, maar voetnoten en historiografische terzijdes ontbreken. Je kunt het op een willekeurige pagina openslaan en beginnen te lezen. Of voorlezen, als je kinderen bestand zijn tegen de vele scènes over bloed dat uit nekken spuit, over de laarzen van de omstanders en een wegrollend mensenhoofd.

Zijn metaforen zijn gewaagd, maar trefzeker. Anna Boleyn was `pure Viagra' voor Hendrik de Achtste, heet het. St Patrick was `een Ierse tiener' en de Muur van Hadrianus was geen hek om de Picten buiten de Romeinse noordgrens te houden, maar een shopping mall.

Dit eerste deel begint in de prehistorie en eindigt bij de dood van Elizabeth I in 1603. Deel twee, dat later dit jaar verschijnt, eindigt bij de tweede Elizabeth. Die zag Brittannië steeds kleiner worden. De eerste `Bessie', de staalharde maagd die werd aanbeden als een halve godin, en de knapste spindoctor die het land heeft gehad, was volgens Schama juist `de eerste chief executive van Brittannia Incorporated'. Het idee van één Brits koninkrijk mag voor veel van haar landgenoten toen nog vreemd zijn geweest, zij belichaamde de Schots-Engelse Unie in persoon. De zoon van haar nicht en vijandin Mary Stuart, die ze liet onthoofden, was de eerste die ook beide tronen combineerde.

Schama's veldslagen en schipbreuken en straatscènes kun je ruiken en horen. Het Tapijt van Bayeux, het weefsel dat de expeditie van Willem de Veroveraar van 1066 beschrijft, bekijk je na dit boek met nieuwe ogen. Zijn beschrijvingen van politieke intriges of het groeien van tradities zijn net zo beeldend. Zoals de scènes over de common law, de Engelse ongeschreven rechtspraak. Voor Scruton is dat een onwrikbaar blok. Bij Schama zijn het organisch veranderende afspraken tussen volk en monarchie, die zich ook tegen de koning bleken te kunnen keren. Zo suggereert Schama een parallel tussen Hendrik de Achtste en het bijna-impeachment van Bill Clinton. Schama's Engeland bestaat, maar het is `een beest dat steeds van gedaante verandert'.

Zou het toeval zijn dat Michael Wood, auteur van In Search of England, Journeys into the English Past óók voor de televisie werkt? Hij maakte eerder de BBC-serie Conquistadors en In the Footsteps of Alexander the Great. Als grondstof had hij daarbij in zekere zin nog minder tot zijn beschikking dan Schama: veel vergezichten van bergen en woestijnen en heel veel potscherven. Dit boekje laat opnieuw zien dat ook hij een geboren verteller is.

Wood vindt zijn Engeland niet, of niet alleen in boeken. Hij onderzoekt ter plekke welke clues Koning Arthur of Robin Hood hem toesteken. Soms vindt hij bijna niets. Zoals in Jarrow, in noordoost-Engeland, waar de monnik Beda in de achtste eeuw zijn History of the English Church and People schreef. Er staan nu olietanks, elektriciteitsmasten en blokken uitgeleefde flatwoningen. Maar `denk die weg', schrijft Wood, `en stel je een wijd-open landschap voor met vergezichten door de vallei van de Tyne en naar zee [...], waar je nog net een blauw stukje van kunt zien.' Een landschap dat sinds de IJstijd niet is veranderd, met als enige aanwijzing voor de moderne tijd de nieuwgebouwde christelijke kerken. Niets is ervan over, in Jarrow, behalve een stukje gebrandschilderd glas en wat gehakte stenen, maar Wood brengt ze tot leven.

En meer dan dat. In zijn wonderlijke spiegelpaleis zie je ook het tegenwoordige Engeland beter. `Het is ongelofelijk dat een van de meest tot de verbeelding sprekende landschappen van de Britse eilanden zijn finale vernietiging bereikte in de era van Mrs Thatcher, wier schelle citaten uit de Engelse geschiedenis alleen geëvenaard werden door haar onwetendheid over wat die allemaal in zich heeft opgenomen.'

Sommige Engelsen koesteren eenzelfde onwetendheid. Dat een boek als dat van Schama maandenlang in de top-10 staat is om meer dan één reden hoopgevend.

John Mitchinson (ed.): British Greats. Cassell & Co, 264 blz. ƒ91,25

Simon Schama: A History of Britain. At the Edge of the World. BBC Worldwide, 416 blz. ƒ104,25

Roger Scruton: England, an Elegy. Chatto & Windus, 270 blz. ƒ70,85

Michael Wood: In Search of England. Journeys into the English Past. Penguin, 336 blz. ƒ41,95 (pbk)

Norman Davies: The Isles. A History. Macmillan, 1.222 blz. ƒ121,50