De ijzeren bezems van nazi-Duitsland

De complexiteit van het Derde Rijk en de holocaust is zo enorm dat de verleiding altijd groot is om simpele antwoorden op ingewikkelde vragen te geven. Daniel Goldhagens Hitler's willing executioners (1996) heeft veel stof doen opwaaien, maar heeft wetenschappelijk gesproken weinig opgeleverd. Wel heeft het Goldhagen-debat nog eens aangetoond hoe moeilijk het is de nazi-tijd te `historiseren', dat wil zeggen als een gewone historische periode te behandelen. The Third Reich van de Britse historicus Michael Burleigh is een van de vele nieuwe pogingen om een synthese van het Derde Rijk te schrijven. Ook de biografie over Hitler van Ian Kershaw is daarvan een goed voorbeeld.

Burleigh ontkomt niet aan de kernvraag hoe en waarom een zo ver ontwikkeld industriële samenleving als Duitsland zich zo te buiten kon gaan aan zoveel misdadig geweld en excessieve destructie en dat met name de beschaafde elite van Duitsland zich zover in dit morele verval liet meeslepen. In zijn inleiding gebruikt hij het oude concept van het totalitarisme dat in de jaren negentig een renaissance beleefde en dat hij verbindt met het begrip politieke religie.

Het verschijnsel ideologie dat vroeger werd gezien als een onderdeel van de nazi-propaganda en de mobilisatie van de massa, komt in het historisch onderzoek steeds meer centraal te staan. Ook Burleigh ziet in de nazi-ideologie meer dan een samengeraapt stel losse ideeën, en beschouwt deze als de drijvende kracht achter de agressieve utopie van een etnisch homogene volksgemeenschap.

Hitler ging uit van een raciale visie, een seculiere heilsleer die niets minder pretendeerde dan de Duitse natie te bevrijden uit de `nationale ontologische crisis' en met `ijzeren bezems' te verlossen van alle raciale en `levensonwaardige' smetten. Deze hang naar een zuivere orde die de biologische degeneratie en de politieke chaos zou overwinnen en een perfecte mens zou creëren was in de Duitse samenleving, met name bij de elite, diep geworteld. Ideologie en intentie worden door Burleigh op deze manier nauw met elkaar verbonden, maar de vraag is of het begrip politieke religie wel voldoende verklaart.

Het accent in het onderzoek heeft zich, mede onder invloed van Goldhagens omstreden boek, naar de motieven van de daders (politiebataljons, Wehrmacht) verplaatst. Dat betekent een verschuiving van de rol van de nazi-bureaucraten en de kille schrijftafelmoordenaars naar de mensen die daadwerkelijk de talloze moorden hebben uitgevoerd. Anders dan Goldhagen, die in het antisemitisme de enige verklaring zag, komt hij tot veel genuanceerdere oordelen en ontstijgt hij eveneens het debat dat lange tijd tussen zogenaamde intentionalisten en structuralisten is gevoerd.

Burleigh probeert de eenzijdigheid van het intentionalisme (er bestaat een directe verbindingslijn tussen een masterplan van Hitler en de uitvoering van de genocide) te overwinnen door structurele factoren erbij te betrekken. De extreme oorlogsomstandigheden en de competentiestrijd binnen het Derde Rijk veranderden die structuur van het Derde Rijk na 1939 op een drastische manier en verklaren mede de ongekende moordlust. Niet uitsluitend antisemitisme, maar ook allerlei andere motieven lagen aan de basis van het misdadige karakter van het nazi-regime. Ook niet-Duitsers zoals Letten en Roemenen gaven zich over aan de meest gruwelijke misdaden tegen de joden.

Ook van de collectieve schuld-these en van het idee dat de holocaust uitsluitend een puur Duits nationaal project, dus een Duitse aberratie was, moet Burleigh weinig hebben. Hoewel hij door middel van het totalitarisme-concept een zwakke poging doet de nazi-tijd uit de Duitse context te verwijderen en in een ruimer internationaal, Europees kader (Stalin-Rusland) te plaatsen, is hij daarin toch niet helemaal geslaagd. Dit komt omdat hij het nazisme en de holocaust niet terugvoert op de crisis van de moderniteit die zich sinds het eind van de negentiende eeuw in geheel Europa en met name in Duitsland voordeed.

De Eerste Wereldoorlog (en de daarop volgende revolutie) had de liberaal-burgerlijke beschaving afgebroken en, wat Burleigh wat onbeholpen noemt, `een verschrikkelijke massale sentimentaliteit' teweeg gebracht, die gepaard ging met angst, ressentiment en zelfmedelijden. Deze emotionele manier van politiek bedrijven met veel theatrale aspecten verving de politiek van pragmatiek en fatsoen. Pas toen onder invloed van de economische crisis van 1929 de liberaal-democratische tradities in de Weimar-tijd te zwak bleken te zijn en de politieke consensus werd weggevaagd door de strijd tussen het nazisme en het communisme, was de terugkeer naar een rechtsstaat en democratie definitief afgesneden.

Dat een kleine elite van nazi's radicale zuiveringsplannen en ideeën koesterde, bleef een tijd lang verborgen voor de grote massa. Terecht noemt Burleigh de Nacht van de Lange Messen van 30 juni 1934 (de afrekening met de SA van Ernst Röhm en conservatieve tegenstanders) en de rechtvaardiging achteraf van deze moord, als een definitieve breuk met de rechtsstaat die de SS de kans bood om zijn tentakels verder uit te slaan en de reguliere staatsbureaucratie te ondermijnen. Een sluipend proces van uitsluiting en vervolging holde de beschaving en het fatsoen uit.

Na de wettelijke discriminatie van de joden door de Neurenberger wetten van 1935 werd tijdens de Reichskristallnacht in november 1938 het verband tussen ongecontroleerd geweld en een dreigende oorlog al duidelijk. Weliswaar had Goebbels de leiding, maar Hitler dacht al stappen ver vooruit. Dit blijkt uit zijn beruchte redevoering op 30 januari 1939 toen hij verklaarde dat `als de joodse internationale financiële wereld in en buiten Europa er weer in zou slagen de naties in een wereldoorlog te storten, dan zou het resultaat niet de bolsjevisering van de wereld zijn, en daarmee de overwinning van het jodendom, maar de Vernichtung van het joodse ras in Europa'. Hier was sprake van een direct verband tussen het dreigen met vernietiging van de joden en het uitbreken van een wereldoorlog zonder dat er een directe verbinding hoeft te zijn tussen deze later nog verschillende keren herhaald profetie (in 1942 en 1943) en de uiteindelijke genocide op de joden.

Generale repetitie

In de herfst van 1939 liet het nazi-regime met de oorlog tegen Polen definitief zijn masker vallen. Uitgebreid en met grote kennis van zaken gaat Burleigh in op de generale repetitie van wat later de catastrofe van de Tweede Wereldoorlog zou worden. Hij laat zien hoe, dankzij het Molotov-Ribbentrop-pact en ongehinderd door buitenlandse reacties, de raciale zuivering van drie miljoen Poolse joden en de eliminatie op de Poolse elite kon worden doorgezet en de macht van de SS nog verder werd uitgebreid.

Dat excessief misdadig gedrag en oorlog nauw met elkaar verweven waren, bleek ook uit het optreden tegen andere groepen.

Burleigh die zich heeft gespecialiseerd op de terreinen van eugenetica en euthanasie, staat uitvoerig stil bij het euthanasie-programma Aktion T 4 dat vanaf oktober 1939 tot de moord op 70.000 Duitse geestelijk en lichamelijk gehandicapten heeft geleid. Vaak goed opgeleide artsen (45 procent was lid van de NSDAP) en verpleegkundigen werkten mee aan deze amorele onvrijwillige dood, een enkeling weigerde mee te doen. Wetenschap en heilige missiedrang gingen een fatale symbiose aan. Niet alleen ambitie, carrièredrang en puur opportunisme speelden hier een rol van betekenis, maar ook werd legitimatie gevonden in kostenbesparing en het scheppen van bedruimte voor gewonde frontsoldaten. Hoewel Burleigh misschien niet zo ver gaat als recente studies op dit terrein (bijvoorbeeld van Götz Aly) legt hij terecht een verband tussen het euthanasie-programma en de nog veel megalomanere zuiveringsacties die het nazi-regime voor ogen stonden, namelijk de vernietiging van alle Europese joden en een totale herschikking van Europa langs raciale lijnen.

Waar het gaat om de genocide deelt Burleigh met Ian Kershaw het standpunt van de zogenaamde structuralisten die, hoewel zij de doeleinden van Hitler niet ontkennen, uitgaan van een kronkelige weg naar Auschwitz. Volgens Burleigh volgde de massamoord op de joden niet een rechte weg, maar was deze – en dat maakt hij zeer overtuigend duidelijk – het resultaat van blokkades en mislukkingen, van mogelijkheden die werden genegeerd en van kansen die werden gegrepen. Dat de nazi's de joden op een of andere manier kwijt wilden, was duidelijk, alleen de manier waarop dat zou moeten gebeuren was sterk afhankelijk van allerlei factoren die de nazi's zelf niet in de hand hadden. De emigratie werd door de oorlog stopgezet en vooral de dreigende nederlaag tegen Rusland was een van de belangrijkste factoren in de radicale eindfase van dit fatale proces. In een stroomversnelling van beslissingen, waarbij de rol van Hitler onmisbaar was, werd er om de Endlösung te regelen naar steeds drastischer middelen gegrepen, om te eindigen met de systematische en fabrieksmatige moord in de gaskamers. Er is een duidelijk samenhang tussen Hitlers vaste overtuiging dat de joden schuldig waren aan het verlies van de Eerste Wereldoorlog en het besluit dat ze daarvoor in een tweede beslissende oorlog op grote schaal zouden moeten boeten.

Motieven

Hoewel het boek geen echt nieuwe inzichten biedt in de motieven voor individuele deelnemers aan de massamoord, bevat het toch een aantal uitstekende hoofdstukken die de lezer op een directe en leesbare manier confronteert met de meest misdadige zuiveringsactie ter wereld. Ondanks zijn soms weinig systematische manier van presenteren en zijn sterke neiging om in het verhalende de verklaring te zoeken, is Burleighs studie een waardevolle bijdrage aan het onderzoek naar het Derde Rijk. Hij trapt in ieder geval niet, zoals Goldhagen, in de val van eenzijdigheid en monocausaliteit en schuwt niet om ingewikkelde kwesties inzichtelijk te maken. Als men kritiek zou willen uitoefenen, dan is het dat hij zijn theoretische uitgangspunten van het totalitarisme en de politieke religie niet helder heeft uitgewerkt. Om een zo compleet mogelijk beeld van het Derde Rijk en meer inzicht in zijn ontsporingen te krijgen, zal men voorlopig verschillende studies naast elkaar moeten lezen. Die van Burleigh hoort daar zeker bij.

Michael Burleigh: The Third Reich: A New History. Macmillan, 929 blz. ƒ104,25