De blik op oneindig

De wereld van de informatietechnologie heeft niet veel glamour starende mannen en doodse archiefkasten. Er zijn nog mensen, maar waar zijn ze?

Wat zien ze, de mannen van de Hobby Computer Club? Het zijn er een paar honderd, en inderdaad allemaal mannen. Ze staan dicht opeengepakt, met hun jassen nog aan. Enkelen van hen hebben de fotograaf opgemerkt en kijken naar de lens. Maar de meesten hebben hun blik gericht op iets dat onzichtbaar is. De uitdrukking op hun alledaagse gezichten is vreemd intens, verwachtingsvol en afwezig tegelijk. Misschien wachten ze gewoon en kijken ze naar de toegangspoort in de Jaarbeurshallen in Utrecht, waar de jaarlijkse HCC-dagen worden gehouden. Misschien kijken ze naar een groot scherm. Stuk voor stuk, dat is zeker, zijn ze met hun hoofd ergens anders.

Het Nederlands Foto Instituut heeft aan de Rotterdamse fotograaf Jannes Linders opdracht gegeven in beeld te brengen hoe de technologische revolutie van de ICT op ons leven inwerkt. Een klein aantal van zijn foto's worden momenteel getoond in het Foto Instituut zelf, meer nog zijn verzameld in het bijbehorende boek Points of Presence. Een gemakkelijke opdracht is het niet, want ICT is in wezen een onzichtbaar fenomeen; alles speelt zich binnenin de computer af, en in je eigen hoofd. Maar Linders heeft niet geprobeerd met de gebruikers mee te kijken, te zien wat zij zien, hij heeft naar hen gekeken. Dat heeft meteen al een ontnuchterend effect, want het landschap waarin de ICT-revolutie plaatsvindt, blijkt herkenbaar en realistisch op een weinig opwindende manier. De mannen van het computertijdperk blijken vooral menselijk. Ze lijken in weinig op de Nieuwe Mens die de goeroe's van de digitale snelweg een paar jaar geleden aankondigden, de mens die alle grenzen van ruimte en tijd zou overschrijden. Deze mannen dragen te warme jassen, ze drinken teveel prikloze cola en ze eten slappe sandwiches in de immense trading room van ABNAmro, ze zitten ongemakkelijk bijeen in vergadering, knijpend in hun blikje Heineken, bang afgetroefd te worden door een concurrent, ze blazen ballonnen op om hun stand op de e-commerce beurs op te vrolijken. Ze dromen van winst, ze vrezen verlies. De bejaarde mannen die op de beurs van de Hobby Computer Club verwonderd naar het scherm van een pc turen, vormen het levende commentaar op al die overspannen verwachtingen en theorieën van de internetprofeten van het eerste uur, die zo graag wilden geloven dat de digitale snelweg rechtstreeks naar het Nieuwe Jeruzalem zou leiden, een virtueel wahalla waarin de mensheid voorgoed van zichzelf verlost zou worden door een eindeloze stroom informatie. We zouden zo heftig gaan communiceren dat we onszelf volledig kwijt zouden raken.

Heftigheid

De schraalheid die de foto's van Linders laten zien, vormt een scherp contrast met al die ideologische heftigheid. De werkelijkheid blijft heel erg de werkelijkheid, ook in het ICT-tijdperk. Het mooiste aan deze op zichzelf weinig spectaculaire foto's is de zuivere lamlendigheid die ze laten zien, de suggestie van het te langzaam wegtikken van seconden, het stof dat zich onzichtbaar ophoopt in hoeken en gaten, de verpletterende doodsheid van de materie. In zijn uiterlijke verschijning heeft ICT opvallend weinig revolutionaire glamour. Computers worden ondergebracht in sfeerloze kantoren, oneindig lange kabels worden door de riolen getrokken, de jonge mannen van Newconomy hangen moeizaam achterover op een ongemakkelijke bank, wachtend op de nieuwe economische klap. Je voelt hun stropdassen knellen. In de pc-winkels hangt de sfeer van de eeuwige uitverkoop, met hoge stapels kartonnen dozen en handgeschreven aanbiedingsteksten.

Echt beklemmend zijn de foto's waarop helemaal geen mensen voorkomen, die van de zogenaamde datahotels. Dat zijn raamloze ruimtes waarin de servers staan die het internet draaiende houden. Lange rijen metalen archiefkasten in vlakke pastelkleuren, doods en eenvormig. ,,Mensen zie je niet veel in datahotels,'' schrijft Marie-José Klaver in Points of Presence, ,,Alle techniek wordt vanaf afstand bestuurd. Als er brand uitbreekt, hebben de mensen die wel toevallig in het pand aanwezig zijn anderhalve minuut om naar buiten te komen. Na 90 seconden wordt er een gas gespoten dat onmiddellijk alle zuurstof verdrijft en het vuur dooft.'' Het datahotel komt dicht in de buurt van mijn idee van de hel, een benauwende, vacuüm gezogen ruimte, boordevol onzichtbare informatie, een eindeloze stroom losse cijfers en feiten, ontdaan van iedere betekenis, buiten het bereik van de menselijke geest.

Linders heeft zich in veel van zijn andere foto's juist op de menselijke details geconcentreerd, de poes op de computer van een bejaarde man, de kooplust in de ogen van pc-hobbyist, de megadoos condooms, merk Euroglider, in de lege internetseksstudio van Casa Rosso. Maar echt vertederend werken die details niet. Integendeel, ze lijken eerder de kloof te vergroten tussen de mensen in de foto's en hun natuurlijke omgeving. Want bijna alle mannen die Linders fotografeerde hebben iets gemeen: de afwezige blik in hun ogen. Allemaal zijn ze geestelijk naar elders vertrokken, not quite there.

Kijk naar de gezichten van de mannen die Linders vastlegde op een of andere pc-beurs, en groupe naar de tentoongestelde beeldschermen starend, jong, oud, Hollands, allochtoon, afkomstig uit alle sociale klassen. De blik in hun ogen is die van lotuseters, wezenloos en tegelijkertijd in vervoering. Op de foto zien wij alleen de bultige achterkant van de monitoren, de lelijke wirwar van kabels en kasten, een hopeloze kluwen van tijdelijk kunst-en-vliegwerk. Een beeld verstoken van schoonheid, en ook van iedere magie. Maar de mannen op de foto zien het niet, zij zien wat wij niet zien, zij kijken naar het scherm. Ze zijn gebiologeerd.

Daarin verschillen ze van lezers, die andere aanwezige afwezigen in het dagelijkse leven. Die zijn ook tijdelijk hun omgeving vergeten, ze vormen voor getuigen geen opwindend spektakel, en nooit zal je in een speelfilm iemand lang zien lezen, maar hun gezichten missen dat gebiologeerde, hun concentratie is niet die van het konijn dat in de koplampen staart. De ICT-ers op de foto's in Points of Presence hebben dat wel, het is een blik die vol en leeg tegelijk is.

Denktank

De foto's van Jannes Linders roepen vragen bij me op, vragen die vast en zeker niet aan bod komen tijdens de thema- en discussie avonden die de denktank van de overheid, genaamd Infodrome, rondom zijn werk heeft georganiseerd. De foto's zijn voornamelijk geruststellend bedoeld, dat is wel duidelijk, in de begeleidende teksten wordt voortdurend onderstreept hoe huiselijk de ICT-revolutie uiteindelijk is gebleken: de angst voor het zwarte gat van de virtuele werkelijkheid was ongegrond, wees niet bang voor de machine. De nieuwe wereld van computers en infonetwerken blijkt heel goed inpasbaar in ons dagelijks bestaan, dat er niet wezenlijk door wordt aangetast. De mannen van de Hobby Computer Club pakken na een dagje Jaarbeurs gewoon de auto of de trein naar huis, waar het eten klaar staat en alles zich weer voegt naar de menselijke maat. Niets aan de hand.

Maar die blik in hun ogen vertelt een ander verhaal. De internetideologen met hun overspannen verwachtingen hadden het weliswaar bij het verkeerde eind, en de voorspelde transformatie van de mensheid met digitale middelen mag dan vooralsnog uitgebleven zijn, waar ze wel de dragers van zijn geweest, is het verlangen naar die radicale transformatie. Die is veel wijder verbreid dan de angst voor de machine; het verlangen om te ontsnappen aan die dreigende schraalheid van het dagelijkse bestaan, de doodsheid en het verval, het stof in de hoeken. Daarom maken veel van de foto's van Linders zo'n doodse indruk. De gezichten van de mannen zijn weliswaar geanimeerd, maar ze maken niet echt meer deel uit van hun omgeving, ze zijn geestelijk vertrokken. Sommigen van hen leven in de roes van de grote verwachtingen, in hun hoofd bouwen ze luchtkastelen van spectaculaire winsten, ze bedrijven windhandel met ongrijpbare goederen en diensten, maar ze hebben geen oog voor hun omgeving. In hun verbeelding wordt de werkelijkheid niet getransformeerd, hij wordt eenvoudig ontkend, buitengesloten, gretig afgezworen. Die blik in hun ogen is die van blinde gelovigen, van verslaafden. Alleen wat in hun hoofd omgaat, bestaat. Daar is het een drukte van belang, de uitdagingen volgen elkaar snel op, de reeks metamorfoses is oneindig. Wij zien dat niet, wij zien zombies.

Wat Linders in beeld gebracht heeft, is de kloof tussen de alledaagse realiteit en de meta-realiteit van de ICT. Die kloof is vaak komisch om te zien, uiterst menselijk ook, en toch word je er maar niet vrolijk van. Want de wereld mag de wereld blijven, hij begint wel verdacht veel op een datahotel te lijken.

`Photoworks in Progress III Jannes Linders: Points of Progress', t/m 6-3 in: Nederlands Foto Instituut, Witte de Withstraat 63, Rotterdam. Tel. (010)2132011. Open di-zo 11-17 u. Het gelijknamige fotoboek kost f 55,-

In de economie bijlage E van deze krant wordt gedurende zes weken wekelijks een foto van Jannes Linders afgedrukt.