Bouw nooit op een ander

De Nederlandse zanger Cornelis Vreeswijk (`De nozem en de non') werd in Zweden bekender dan in Nederland. Nu speelt Jules Croiset een voorstelling over zijn leven.

De man met het sikje en het buikige postuur komt uit zijn bed, overziet de chaos in zijn kamer en verheft zijn stem. ,,Hier zit ik op een vuilnishoop'', begint hij. ,,Ik kijk droevig om me heen / 'k zie vodden en ouwe flessen / excuseert u me, ik ween / ja, ik huil een paar dikke tranen / en ik zing met benard gemoed: / misschien wordt 't morgen beter / maar het wordt toch nooit goed.'' En dat laatste nog een keer, zo mogelijk nog honender: ,,Misschien wordt `t morgen beter / maar het wordt toch nooit goed.''

De man is de acteur Jules Croiset, maar hij zou ook Cornelis Vreeswijk kunnen zijn, aan wie de voorstelling Cornelis Vreeswijk, de troubadour van IJmuiden is gewijd. Dit is een van de bekendste liedjes uit diens oeuvre, het lijflied van de misantroop die de allengs vervuilende wereld slechts hoofdschuddend in ogenschouw kan nemen. Hij kan de dokter wel bellen, maar tegen radioactieve uitslag en radioactieve jeuk is geen medicijn bestand. Hij kan zich wel tot het vooruitstrevende kamp bekennen, maar naar de afgrond gaan we coûte que coûte. Hij ziet tussen eb en vloed zelfs geen strand meer. ,,De wereld is een rotzooi, van einde tot begin'', zingt hij. Omgekeerd was beter geweest, maar voor het rijm kwam het zo beter uit. En het maakt de boodschap misschien nog wel sterker; tussen einde en begin is er niet eens verschil meer.

Het geluid van Cornelis Vreeswijk (1937-1987) is in Nederland niet vaak meer te horen. Wel in Zweden, daar is hij de grote dichter-zanger gebleven voor wie op het adres Trängsund 8 in Stockholm zelfs een klein museum is ingericht. En jaarlijks wordt er, op de eerste zondag na zijn geboortedag, een herdenking aan hem gewijd. Hier was hij hooguit de Speenhoff van de jaren zeventig, die succes boekte met Misschien wordt 't morgen beter, het stoute De nozem en de non en het poëtische Veronica, maar daarna snel weer werd vergeten. Toen hij op vijftigjarige leeftijd stierf, was hij in Nederlandse ogen weinig meer dan een curiosum geweest. Nog net geen eendagsvlieg, maar het scheelde niet veel.

,,Hij heeft in het Zweeds dan ook veel en veel meer liedjes gemaakt dan in het Nederlands'', zegt Lourdes Boasman, voorzitter van het vorig jaar opgerichte Cornelis Vreeswijk Genootschap. ,,Hier heeft hij zes langspeelplaten uitgebracht, en daar meer dan dertig. Hij is op zijn twaalfde naar Zweden gegaan, dus zijn kennis van de Nederlandse taal was ook ietwat verouderd. Wel heel charmant, vind ik, maar hij kon zich in het Zweeds waarschijnlijk beter uiten dan in het Nederlands.''

Vreeswijk was de zoon van een taxichauffeur in IJmuiden, die kort na de oorlog van een rijke dame opdracht kreeg haar auto naar Zweden te brengen. Ter plekke kwam vader Vreeswijk, een groot liefhebber van sportvissen, tot de conclusie dat zijn toekomst in Zweden lag. Halsoverkop reisden vrouw en kinderen hem na. Cornelis, die thuis gewoon Kees heette, las poëzie, bewonderde de Franse bard Georges Brassens, kocht op zijn zestiende een gitaar en ging liedjes maken. Zijn eerste Zweedse plaat dateert uit 1964 en was onmiddellijk een succes. Pas acht jaar later maakte hij, door toedoen van producer Gerrit den Braber, zijn Nederlandse debuut.

Klooien

Evert de Vries, artistiek directeur van het Amsterdams Kleinkunst Festival, dat eerder eer heeft ingelegd met muzikale voorstellingen over Wim Kan, Johnny Jordaan en Simon Carmiggelt, stuitte op Flygande Hollandären, een Zweedse theatertekst over Cornelis Vreeswijk. De vorm was traditioneel: een verteller vatte 's mans leven samen, afgewisseld door liedjes. ,,Vanuit onze kleinkunstachtergrond hebben wij meteen gezegd dat het in de ik-vorm zou moeten'', aldus De Vries. Van het letterlijk vertaalde stuk hebben Rob van de Meeberg en Jules Croiset een bewerking gemaakt. ,,Toen ik de oorspronkelijke tekst las, vond ik er geen bal aan'', zegt Croiset. ,,Ik heb meteen gevraagd of ik eraan mocht klooien. Om te beginnen ontbraken alle Nederlandse elementen. En er zat ook niet één anekdote in. Terwijl hij een zeer turbulent leven heeft gehad. Als je hoort dat die man sixpacks Underberg dronk – en dan drie sixpacks op één avond – begint hij toch wat meer te leven.''

Dichterlijk

Voor het Zweedse publiek stond Cornelis Vreeswijk in de troubadourstraditie van de achttiende-eeuwse dichter Carl Mikael Bellman, wiens werk hij ook heeft gezongen. Maar zijn eigen liedjes waren meer uitgesproken, meer Nederlands, explicieter dan wat men kennelijk in Zweden gewend was. ,,Cornelis zingt wat de Zweden denken, maar onuitgesproken laten'', zei zijn eerste vrouw in 1965 in Het Parool. ,,Het leven in Zweden is hard maar rechtvaardig'', zei hij zelf in een Veronica-programma uit de jaren tachtig. ,,In Holland is het hard maar gezellig.''

Tussen beide polen leefde Vreeswijk, zegt de journalist Peter Verschoor, die als correspondent in Stockholm met de zanger bevriend raakte. ,,Als hij hier zat, verlangde hij naar Zweden. En als hij in Zweden was, wilde hij gezellig gaan pierewaaien in IJmuiden. Ik vind dat we in Nederland geen goed beeld van hem hebben. Sommige liedjes zijn goed vertaald, maar andere doen pijn aan mijn oren. Hij had een liedje dat in het Zweeds ging over de vraag hoe het komt dat sommige mensen met kapotte schoenen lopen en andere niet – en of dat misschien iets met God te maken had. Heel dichterlijk. In het Nederlands werd dat: `Waar ga je heen, zonder schoen, zonder laars?' Daar is dus niets van overgebleven.''

De videoband van de Veronica-uitzending toont een man die met zachtmoedige ogen over zijn leesbrilletje uitkijkt. Hij kuiert met presentatrice Tineke de Nooij door het centrum van Stockholm, waar hij wordt omringd door kinderen die een handtekening willen. Als een vriendelijke gids vertelt hij over de straten en pleinen. Tijdens een gefilmd optreden wordt hij begeleid door twee gitaristen die in de eenvoudige melodietjes genoeg ruimte vinden voor een paar jazz-achtige zijpaden. Uit een hoofdknikje blijkt dat hem dat bevalt. In het zangerige Zweeds klinkt hij iets minder weerbarstig, minder hoekig, poëtischer dan in het Nederlands. Hier zong hij norser, hakkeriger, minder welluidend.

In zijn liedjes had Cornelis Vreeswijk verschillende gedaanten. Hij was de zwartkijker die de wereld ten onder zag gaan en daar alleen nog maar een honend lachje tegenover kon stellen. Hij noemde zich een `bekommerde socialist' die van de wereld en het leven niets meer begreep en in de liefde ook weinig geluk meer vond: ,,Ach, was ik maar weer een vrijgezel/ want ik ben nog niet oud en ik kan het nog wel.'' Hij had de harde lessen van het leven geleerd: ,,Bouw nooit op een ander/ want dan bouw je op zand.'' In kleine woorden beschreef hij groot liefdesverdriet: ,,Het droevige feit, Marjolein, is/ dat liefde niets meer dan schijn is.'' Of, nog kleiner: ,,Felicia verdween/ het hek was van de dam.'' Maar dan kwam er soms toch weer een nieuwe liefde, en dan zong hij toch weer dat hij met haar wilde dansen – al stierven iets verderop de soldaten in de zoveelste oorlog.

In zijn eigen leven was hij drie keer getrouwd en vaker verliefd. ,,De stoppen sloegen wel eens door'', zegt hij bij monde van Jules Croiset. Verlekkerd schreven de Zweedse kranten in 1975 dat Cornelis Vreeswijk na een vrolijke avond twee dames mee naar huis had genomen. Toen hij thuis echter ontdekte dat zij twee heren waren, had hij hen met een mes achternagezeten en enkele lichte verwondingen toegebracht. De rechtbank stelde vast dat de zanger problemen had met de alcohol en veroordeelde hem tot drie maanden cel. Dat zou wel genoeg zijn om weer nuchter te worden. Maar ten slotte was het Vreeswijk zelf die triomfeerde. Hij schreef er een waarheidsgetrouw zelfspot-nummer over, met een zwierig dameskoortje dat het refreintje meezong alsof het een middeleeuwse ballade was: turalarie, turalarei... Het werd in Zweden een van zijn grootste successen, maar bleef hier onbekend.

Nederland hoorde alleen af en toe iets over financiële problemen. Vreeswijk moet geld als water hebben verdiend, maar het ook steeds weer snel hebben uitgegeven. ,,Ik heb nog eens tochtje met hem gemaakt op een luxe boot die hij had gekocht'', zegt Peter Verschoor, ,,maar die was hij in no time weer kwijt. Hij kon volstrekt niet met geld omgaan. Wat hij had, droeg hij meestal bij zich. En dat gaf hij dan meteen weer uit. Ik heb zelf nog eens gebeld met de belastingdienst, toen Kees daar een schuld had van vier miljoen kronen – zeg maar twee miljoen gulden. Toen bleek dat ze hem eerder al een aanslag hadden gestuurd van twee miljoen. Dat was een slag in de lucht geweest, want zelf had hij geen aangifte gedaan. Maar op die aanslag had hij niet gereageerd, zodat ze er nog een boete van twee miljoen op hadden gedaan.'' Vervolgens werd de zoveelste schikking getroffen.

Drooggestaan

Vreeswijk kende geen maat, zoiets zal het geweest zijn. Hij dronk en was soms ook stoned. Eén jaar heeft hij drooggestaan, maar in dat jaar kwam er geen enkel liedje uit zijn vingers. Dat zijn Nederlandse teksten niet altijd even gaaf waren, is volgens Peter Verschoor mede te wijten aan het slordige leven dat Vreeswijk leidde. Als hij in Nederland een plaat moest maken, haalde Gerrit den Braber hem 's morgens bij zijn logeeradres op om naar de opnamestudio te gaan. Maar de vertalingen die Vreeswijk hem de vorige dag had beloofd, bleken dan niet altijd geschreven te zijn. In zo'n geval moest Den Braber, terwijl de muzikanten al wachtten, nog snel even een tekstje maken.

Verschoor is nu, samen met cabaret-expert Kick van der Veer, doende met de productie van een dubbel-cd waarop artiesten als Bram Vermeulen, Erik van Muiswinkel, Jack Spijkerman, Bob Fosko en Maarten van Roozendaal bekende en onbekende nummers van Vreeswijk zingen. ,,Er ligt in Zweden nog een grote culturele schat waarvan wij geen idee hebben'', zegt hij. De cd moet dit najaar verschijnen.

Intussen heeft het Cornelis Vreeswijk Genootschap, dat al zo'n 150 leden telt, kortgeleden toestemming van de gemeente gekregen voor het plaatsen van een beeldje van de zanger aan de boulevard achter het duin bij IJmuiden dichtbij het strandpaviljoen Zuidpier, waar de kleine Vreeswijk volgens de verhalen vaak over de vloer kwam. ,,Maar we weten nog niet wanneer het er komt'', aldus voorzitter Boasman. ,,Eerst moet het beeldje nog gemaakt worden.''

Op de draagbare recorder in het repetitielokaal laat Jules Croiset een stukje Vreeswijk in het Zweeds horen. Niet te lang. ,,Ik moet er niet te vaak naar luisteren'', zegt hij, ,,want ik moet niet proberen hem te imiteren. Dat zou ik ook niet eens kunnen. Ik kan alleen zijn dramatiek nadoen. Verder heb ik geen beeld van de man. Ik heb hem niet gekend. Voordat ik hieraan begon, kende ik, zoals de meeste Nederlanders, alleen De nozem en de non en Veronica. Meer niet.''

Nu maakt hij zich tot tolk van een man die aan leverkanker is gestorven en na zijn dood met enige ironie terugkijkt op zijn leven. Geen misantroop meer, daarvoor heeft hij nu te veel afstand. Eerder iemand die – zoals hij in de voorstelling zegt – zo vaak op tournee was, dat hij wel eens afdwaalde.

Amsterdams Kleinkunst Festival: Cornelis Vreeswijk, de troubadour van IJmuiden. Theater Bellevue, Amsterdam, 3 t/m 14/4. Inl. (020) 4289690.

In Stockholm is zelfs een klein museum voor Vreeswijk ingericht

Toen hij droog stond kwam er geen enkel liedje uit zijn vingers