Altijd op weg naar morele verheffing

Het conservatisme beleeft sinds kort een herwaardering, als kalmeringsmiddel voor een doldrieste samenleving. Maar zijn de huidige conservatieven wel uit hetzelfde hout gesneden als hun grote voorbeeld Edmund Burke? Blijkens een nieuwe studie zijn ze in elk geval zeer Nederlands.

Conservatisme is in de mode. Vrijwel alle kranten en tijdschriften hebben de laatste weken uitgebreid aandacht besteed aan het gedachtengoed van een klein groepje jongemannen rond Andreas Kinneging. Deze Leidse rechtsfilosoof zei het `surfplank-liberalisme' van Hans Dijkstals VVD vaarwel en richtte de Edmund Burke-stichting op, die het conservatieve gedachtengoed in Nederland wil stimuleren. Belangrijkste wapenfeit is vooralsnog de eigen website (www.conservatismeweb.com) waarop, naast academische beschouwingen van Kinneging, ook een stuk te vinden is waarin het homohuwelijk in morele zin wordt gelijkgesteld aan het huwelijk tussen broer en zus, tussen kinderen en volwassenen, en aan polygamie.

De dissertatie van de Amsterdamse historicus en filosoof Ronald van Raak over het Nederlandse conservatisme in de negentiende eeuw, In naam van het volmaakte, had dus niet op een beter moment kunnen verschijnen. Van Raak heeft rond zijn promotie in diverse media een uiterst sceptische visie op het hedendaagse conservatisme verwoord. Hij verwijt de Nederlandse neoconservatieven dat ze ten onrechte het alleenrecht opeisen op een morele levensvisie en dat ze hun moralistische uitgangspunten bovendien onvoldoende politiek uitwerken. In naam van het volmaakte, waarop Van Raak in december is gepromoveerd en waarvan nu een handelseditie is verschenen, geeft dan ook weinig aanleiding tot fiducie in het Nederlands conservatisme.

Van Raaks studie is het eerste uitgebreide onderzoek naar het niet-confessionele Nederlandse conservatisme in de negentiende eeuw. Dat is niet zo vreemd, volgens Van Raak, want historici hebben nu eenmaal weinig aandacht voor de verliezers van de geschiedenis. En daar behoorden de conservatieven onmiskenbaar toe, al probeert Van Raak — niet echt overtuigend — aan te tonen dat hun invloed groter was dan tot nu toe is aangenomen.

Van Raak ruimt veel plaats in voor de Utrechtse hoogleraar scheikunde Gerrit Jan Mulder, de grondlegger van het conservatisme in Nederland. Hij besteedt veel aandacht aan Mulders filosofische en wetenschappelijke opvattingen, hoewel niet altijd duidelijk is hoe die zich verhouden tot zijn politieke activiteiten. Mulders humanistische conservatisme onderscheidde zich op een wezenlijk punt van het klassieke conservatisme van de Britse denker Edmund Burke, auteur van het beroemde Reflections on the Revolution in France (1790). Mulder geloofde namelijk in het streven naar morele volmaaktheid; morele verheffing van het individu zou volgens hem uiteindelijk leiden tot de morele verheffing van de maatschappij. Het klassieke conservatisme gaat daarentegen juist uit van de natuurlijke onvolmaaktheid van de mens. Het optimistische en perfectionistische mensbeeld van de Franse revolutie zag Burke zelfs als levensgevaarlijke hoogmoed.

De vergelijking met de hedendaagse conservatieven rond Kinneging dringt zich op. Ook Kinneging, die geïnspireerd wordt door het theocratische geschrift Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823) van de dichter Isaac da Costa (`Zo actueel', zei Kinneging tegen het Reformatorisch Dagblad) legt de nadruk sterk op de noodzaak van een moreel reveil, geleid door het traditionele gezin en de kerk. Net als bij Mulder gaapt er bij Kinneging een kloof tussen strenge morele uitgangspunten en praktische politiek. Zijn morele rechtlijnigheid verhoudt zich slecht tot het relativeringsvermogen en de bescheidenheid over de rol van de politiek van de ware conservatief.J.L. Heldring schreef in deze krant (3.3.2001) dan ook dat de moraal in de huidige discussie over het conservatisme naar zijn smaak te veel nadruk krijgt.

Dat is een typisch Nederlands trekje. De historicus M.C. Brands zei ooit dat in Nederland de politiek wordt beschouwd als `de voortzetting van de theologie met andere middelen.' Ook het cultuurrelativisme, waar de neoconservatieven zich fel tegen afzetten, staat veel dichter bij de conservatieve traditie dan zij willen weten. Oog voor de uniciteit, waarde en kwetsbaarheid van wat historisch is gegroeid, verhoudt zich immers slecht tot universeel, moreel absolutisme, waar neoconservatieven prat op lijken te gaan.

Terug naar Mulder. Hij beleefde zijn hoogtijdagen tijdens de April-beweging van 1853. Mulder was een van de leiders van deze brede volksbeweging tegen het herinvoering van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland. Die was formeel verbonden met de vrijheid van godsdienst, zoals was vastgelegd in de grondwet van 1848. De eenheid en het voortbestaan van de protestantse natie stond volgens Mulder op het spel. Het verzet leidde tot de val van de regering-Thorbecke, nadat koning Willem III in een rede in Amsterdam min of meer zijn steun had betuigd aan de protestbeweging.

Driftkikker

Ook daarna bleven Mulder en zijn navolgers zich verzetten tegen de liberale interpretatie van de grondwet van 1848, waarin ook de ministeriële verantwoordelijkheid en de onschendbaarheid van de koning waren vastgelegd. Mulder betoogde dat de regering diende uit te gaan van de koning en niet van het parlement. Helaas voor de conservatieven was Willem III een weinig competente driftkikker, die om die reden zelfs door conservatieve politici veelal buiten de besluitvorming werd gehouden.

De liberalen probeerden via het parlement en kiesverenigingen de politiek in het openbare domein te brengen. Ook daar was Mulder fel tegen gekant. Via oligarchische, informele netwerken – met onder meer het huis van Oranje – trachtte hij de politieke ontwikkelingen achter de schermen te sturen. Volgens Van Raak hadden deze netwerken grote invloed. Mede door de intriges van Mulder kwam de gematigde regering-Van Hall ten val, die Thorbecke was opgevolgd. Maar omdat deze informele netwerken veelal een vertrouwelijk karakter hadden en nauwelijks sporen hebben nagelaten, kan Van Raak die invloed niet echt bewijzen.

De gelegenheidscoalitie tijdens de April-beweging van conservatieven en de protestantse reveil-beweging die geleid werd door onder meer Groen van Prinsterer, viel al snel uit elkaar. Groen van Prinsterer wantrouwde Mulder, die de maatschappelijke en zedelijke rol van religie plaatste boven kerkelijke dogma`s. Mulder klaagde op zijn beurt over de `sektegeest' van de `Groenianen'. De liberalen krabbelden na de val van Thorbecke bovendien snel weer op en de conservatieve kiesverenigingen Koning en Vaderland werden geen groot succes.

De verzoenende politiek van de gematigde regering-Van Hall was voor Mulder reden om opnieuw oppositie te gaan voeren. Mede dankzij zijn contacten met de koning slaagde Mulder er zelfs in enkele geestverwanten in de regering benoemd te krijgen tijdens het extra-parlementaire en koningsgezinde ministerie-Van der Brugghen. Zelf achtte Mulder zich overigens ongeschikt voor een ministerspost. Het conservatieve kabinet kwam terecht in slepende conflicten met het parlement over de interpretatie van de grondwet. De minister van Binnenlandse Zaken, Simons, moest om die reden zelfs vertrekken en in 1858 kwam het gehele kabinet ten val. Na het Simons-debâcle trok Mulder zich terug uit de politiek. Conservatieve Kamerleden slaagden er niet in om een effectieve machtsfactor te vormen, omdat ze louter een losse band tussen regering en parlement voorstonden. Een conservatief kabinet kon daarom niet krachtig opereren.

Na de periode-Mulder zagen de conservatieven zich gedwongen om stap voor stap mee te gaan in het liberale tij. Met eigen kranten begonnen zij zich rechtstreeks tot het electoraat te wenden, waar Mulder nog van had gegruwd. Een conservatief leider als Jan Heemskerk Azn. stelde zich steeds meer op als een onversneden partijman, onder meer door een Algemene Kiesvereniging op te richten en een verkiezingsprogramma op te stellen. Door als partij naar voren te treden voegden de conservatieven zich naar de liberalisering van de politiek. Hernieuwde pogingen in de jaren zestig van de negentiende eeuw om een conservatieve, `koninklijke' interpretatie van de grondwet geacccepteerd te krijgen, liepen wederom op niets uit. Door de openbaarheid te zoeken en mee te gaan in de richting van partijvorming, verloren de conservatieven hun eigen gezicht en daarmee hun bestaansrecht, concludeert Van Raak. Bij de verkiezingen van 1877 liep het aantal conservatieve Kamerleden terug tot zes. Heemskerk bekeerde zich bovendien tot het constitutionalisme. Het onderscheid met de liberalen werd zo nog kleiner. Begin twintigste eeuw was in de Nederlandse verhoudingen geen plaats meer voor een conservatief alternatief.

Veel inspiratie kunnen Kinneging en consorten dus niet putten uit het proefschrift van Van Raak. Als zijn beknopte en leesbare dissertatie iets duidelijk maakt, dan is het dat de Nederlandse conservatieven veelal achter de feiten aan liepen. Het conservatisme mag dan als levensgevoel bevrijd zijn van het taboe dat er sinds de jaren zeventig op rustte, zoals Ronald Havenaar uiteenzette (Boeken 24.03.01), maar als politieke leer stelt het huidige conservatisme nog niet veel voor. Zeker niet in de min of meer fundamentalistische variant van Kinneging, die onder meer het passief kiesrecht drastisch wil verhogen tot 45 jaar en die vraagtekens heeft geplaatst bij het recht op abortus, zelfs als er sprake is van verkrachting. Of de Burke-stichting het lot van de Mulderianen bespaard zal blijven, valt te betwijfelen. Maar wat niet is, kan wellicht nog komen. Met zijn 39 jaar heeft Kinneging naar conservatieve maatstaven de jaren des onderscheids nog niet bereikt.

Ronald van Raak: In naam van het volmaakte. Conservatisme in Nederland in de negentiende eeuw. Wereldbibliotheek, 269 blz. ƒ59,90