Aan de donker kant van de straat

,,Mannen, vooral witte upper middle class hetero mannen, kunnen niet dansen.' Dit is de 39ste aflevering van de maandelijkse serie `Zapdansen'.

,,Het allerergst zijn natuurlijk die geëxalteerde types, vaak overjarige drenkelingen uit de hippie-tijd die, niet gehinderd door enig gevoel voor ritme, in hun eentje vrije expressie staan te bedrijven. Met heel veel quasi-exotisch onsamenhangend gewapper. Hun haren, de wijde kleren die ze dragen, hun armen, kettingen, handen – alles wappert aan ze en liefst over de volle breedte van de vloer. `Het is de geest van de muziek zelf die door mijn lichaam raast, van Moeder Aarde over het netwerk van mijn chakra's naar de wereldziel en terug' – dat is de boodschap die ze over willen brengen. `Kijk mij eens heerlijk vrij zijn en spiritueel en toch zinnelijk.' Maar de losheid en inleving die ze met hun gewapper suggereren is nep. Net zo nep als de temperamentvolle hitsigheid die andere vrouwen denken uit te stralen door om de haverklap het hoofd in de nek gooien, touw te trekken met hun armen, met hun heupen te schroeven en met hun voeten een hinkelpatroon te volgen van twee stappen vooruit, één opzij en dan weer terug.

Maar dat is allemaal nog heilig vergeleken bij wat de meeste mannen, lees: witte hetero upper middle class mannen van jouw generatie, ervan bakken. Die daar bijvoorbeeld, in die afhangende bandplooi met dat paarse hemd, is nooit verder gekomen dan de Twist – en dan nog maar voor de helft, want onder de gordel lijkt alles in beton te zijn gegoten. Die vent daarnaast, in dat dure zwarte pak, staat te slingeren als een chimpansee met een staanplaats in een bus op Kreta. En daarachter staat er nog een met het glas in de hand alleen maar een beetje heen en weer te wiegen op de ballen van zijn voet.

Mijn god, er wordt weer wat afgeschoffeld, op en neer gesprongen en gemolenwiekt op het Boekenbal. Van enige coördinatie – tussen muziek en lichaam, laat staan tussen hun eigen bewegingen en die van hun partner – is geen sprake. Kijk nou toch: al die stroef hoela-hoepende torso's, al die wrikkende voeten en die armen die er maar een beetje bij bungelen of alleen een machteloze vuist in de lucht helpen prikken. En dan die gezichten, paars van inspanning soms, met de voortanden stevig vastgezet in de onderlip, alsof ze iets verschrikkelijk moeilijks aan het doen zijn. En dat zijn ze natuurlijk ook.

Zo lang geleden is het niet dat dansen iets was dat je alleen met z'n tweeën deed. Je hield altijd iemand vast of iemand jou. Eén leidde, de ander volgde en bijna elke stap was volgens het boekje. Maar dat boekje ging – samen met alle andere benauwende onzin die er in de gezaghebbende boeken uit de Westerse cultuur over het lichaam stond geschreven – het raam uit toen het grote boogie-monster aan de deur kwam kloppen. Klop-klop, klop-klop-klop-klop. En hoe gaat dat, nietwaar? Die deur vliegt uit zijn hengsels, de hengsels uit de sponningen, de sponningen uit de muur. Vanaf dat moment is het ieder voor zich op de dansvloer die plotseling direct aan de straat blijkt te liggen en, zodra de muziek begint, volloopt met types die vroeger op dansles nooit door de ballotage waren gekomen. Mannen, witte upper middle class hetero mannen van jouw generatie, hebben daar veel meer moeite mee gehad dan de meeste vrouwen. Niet zozeer in hun hoofd – waar de nieuwe vrijheid met instemmend gemompel werd verwelkomd – als wel in hun voeten, die, nu het zwaartepunt was verlegd, plotseling hun evenwicht hadden verloren.

Vrouwen – sorry dat ik dat woord zo vaak moet gebruiken – alle vrouwen, want het doet er geen bal toe uit wat voor milieu ze komen, zijn zich vóór alles bewust van hun lichaam: hoe het erbij staat, hoe het beweegt, hoe het is gekleed. En waarom? Omdat – zolang zij zich kunnen herinneren – dát het punt is waarop ze in eerste instantie worden beoordeeld. Niet af en toe, maar de hele dag en grondig, al zijn ze nog zo geëmancipeerd en al hun vriendinnen erbij. Wat voor baan ze krijgen, wat voor vrienden, hun hele overleven zelfs – want het is ook nog eens niet ongevaarlijk om daarmee, of liever gezegd daarin rond te lopen – hangt vóór alles af van hun lichaam.

Elke keer dat een vrouw een kamer binnenloopt of een discotheek of een kantoor of winkel, overal krijgt ze te maken met keurende blikken. Van mannen zowel als vrouwen – vooral ook van vrouwen trouwens. Honderden keren per dag. Elke keer dat je de straat oversteekt, op de fiets stapt of je omdraait, waar je ook bent, steeds zie je, voel je, in alle blikken die je kruist, heel even iets verschieten, als bij de lens van een fototoestel. Klik-klak en hop presto: de foto is al gemaakt, ontwikkeld en doorgestuurd naar het hoofdkantoor, waar hij tot in de kleinste details is geanalyseerd – en er is nog geen seconde verstreken.

Het gevolg is dat vrouwen op een veel scherpere manier dan mannen weet hebben van wat hun lichaam teweeg kan brengen. Dat is geen kwestie van berekening, maar tweede natuur; het is ingeprogrammeerd in de manier waarop je je beweegt. Daarom zijn wij op de dansvloer zoveel gracieuzer dan mannen. Wegens onze superieure lichaamstaal. Jullie denken alleen maar aan je lichaam wanneer je pijn hebt of honger of zin in seks. En zelfs dan moeten wij er nog aan te pas komen om de boel te regelen: `mama, pleister doen! mama, boterham! mama, neuken!'

En voordat je nou weer met je Muhammad Ali aan komt zetten of Johan Cruyff: ja, die dansten ja, vooral solo, maar dat zijn kunstenaars, magiërs als je wilt, een klasse apart. Het verschil is dat sport wel een fysieke uitdaging vormt, maar geen psychologische bedreiging. Oké, je mentaliteit wordt op de proef gesteld en je concentratievermogen, je wil om te winnen. Maar dat allemaal puur in dienst van een fysieke prestatie. Je hoeft je verder niet bloot te geven zoals je dat bij het dansen wel moet doen, wil het tenminste ergens op lijken. En dan kan het feit dat je gewend bent om overal en altijd met de ogen uitgekleed te worden opeens een groot voordeel zijn.

Er zijn uitzonderingen, mannen bij wie je onder het dansen niet alleen maar het gevoel hebt dat ze met hun geschud aan het proberen zijn de bloedsomloop in hun bijna afgestorven ledematen weer op gang te brengen. Met name mannen die niet zo beschermd en voor een deel op straat zijn opgegroeid kunnen net zo'n scherp bewustzijn van hun lichaam hebben ontwikkeld als de meeste vrouwen dat hebben – en op precies dezelfde manier.

Op straat – aan één bepaalde kant van de straat in ieder geval, niet de zonnige – word je als jongen net zo met argusogen bekeken als een meisje. Je krachten worden ingeschat, je snelheid, reactievermogen, het soort problemen dat je zou kunnen veroorzaken en de tegenstand die je zou kunnen bieden als iemand daar iets aan zou willen doen. En dat valt allemaal af te lezen aan de manier waarop je je beweegt. Dat luistert nauw. Je moet een sterke, zelfs harde indruk maken, maar niet provoceren. Als je het overdrijft krijg je direct iemand op je nek die niet een beetje maar veel sterker is en het aan zijn status verplicht is om jou dat te laten voelen ook. Houd je je te veel in, beginnen er van die kleine keffertjes naar je kuiten te happen. Je moet je manier van bewegen, de houding die je aanneemt ten opzichte van de omgeving, voortdurend aan kunnen passen aan waar je je op dat moment bevindt en met wie. Alles maakt deel uit van dat moment. De lichtval, het uur van de dag, de hoeveelheid mensen, de stand in de eredivisie, de muziek die er uit een open raam klinkt, het opwaaien van een krant, geluiden uit de schaduw. Alles. En één hoek verder kan die hele configuratie opeens totaal veranderd zijn. Overal moet je op voorbereid zijn, niet alleen geestelijk, want dan reageer je – wanneer je echt tegenover elkaar komt te staan – altijd net een tel te laat, maar direct, met je lichaam.

Ook als er meisjes naar je kijken of als je wilt dat ze dat gaan doen, zul je daar – net zoals zij dat zelf hebben gedaan – een uitgebreid repertoire voor moeten ontwikkelen: een lichaamstaal zo verfijnd als de sonnetten van Shakespeare en met dezelfde autoriteit de wereld in het gezicht geslingerd. Hoe staan de benen? Niet te dicht bij elkaar mag ik hopen, want dan suggereer je dat je geslacht niet zoveel ruimte nodig heeft. Te ver uit elkaar heeft weer iets overmatig narcistisch, alsof je er voortdurend zelf aan moet kunnen zitten. En de handen, nonchalant in de zakken? Oké, maar niet te lang, want dat staat onzeker, en laat ze, eenmaal eruit, in godsnaam niet langs je lichaam hangen alsof je niet weet wat je ermee moet doen. Laat ze maar een beetje bewegen, niet te veel want dat maakt nerveus, maar sierlijk, als twee vogels in slow motion, nu eens op borsthoogte om aan te duiden hoeveel kracht daar schuilt en dan weer even omhoog langs het gezicht – één gekromde vinger tegen een wenkbrauw! – of, hoger nog, woelend door je haar. En vergeet vooral niet af en toe zacht te knikken met dat hoofd en ondertussen de ogen te sluiten alsof je naar een innerlijke stem luistert die je voortdurend de prachtigste dingen toefluistert, waardoor zij nauwelijks kan wachten om zo dicht bij je te komen dat ze die dingen, die natuurlijk altijd al alleen voor haar bedoeld waren, ook kan horen. Maar – zeg je dan met je handen en je tong en je adem versneden met de hare – dat kan alleen als je mij eerst bij jou binnenlaat.'

Toegegeven, het zijn mijn woorden, niet de hare. Om de waarheid te zeggen zei ze eigenlijk maar verdomd weinig tijdens het dansen, maar haar bewegingen spraken boekdelen.