Vissers en vogels in elkaars vaarwater

Vissers en natuur- beschermers kunnen elkaar flink in de weg zitten. Zoals in de Waddenzee, waar de kokkelvisserij de eidereend bedreigt.

ZELDEN ZIJN WETENSCHAPPERS het onderling zo oneens als nu over de ecologische effecten van schelpdiervisserij in de Waddenzee. Nieuwe onderzoeksgegevens worden over en weer gepresenteerd en afgeschoten. Enerzijds zijn er de kokkelvissers die zich gesteund weten door wetenschappers van het Nederlands Instituut voor Visserijonderzoek (RIVO) en het TNO. Anderzijds zijn er onderzoekers van het Nederlands Instituut voor het Onderzoek der Zee (NIOZ) die bijval krijgen van het instituut voor natuuronderzoek Alterra en natuurbeschermers.

Het heikele punt is dat de Waddenzee een beschermd natuurgebied is, waarin grootschalige visserij volgens de natuurbeschermers niet past. De visserij zou het ecosysteem van de wadden schade toebrengen, hetgeen onder meer blijkt uit een verhoogde sterfte onder wadvogels, aanvankelijk alleen onder scholeksters, maar sinds twee jaar ook onder eidereenden.

De vissers daarentegen zeggen dat zij juist heel bewust met de natuur omgaan. Ieder jaar laten zij de hoeveelheid kokkels in de Waddenzee bepalen en op basis daarvan stellen zij een quotum vast. Afgesproken is dat zij in ieder geval een voedselreserve ongemoeid laten, die gelijk is aan 60 procent van de totale hoeveelheid die scholeksters en eidereenden nodig hebben. Als het bestand kleiner is dan die voedselreserve, zoals bijvoorbeeld het geval was in 1996 en 1997, wordt er niet gevist. Daarnaast is 26 procent van de Waddenzee permanent verboden gebied voor de visserij.

Met een jaaromzet van tussen de 100 en 150 miljoen gulden is het kokkelvissen in de Waddenzee lucratief. In Nederland staan kokkels nauwelijks op het menu, maar de schelpdieren met hun mooi geribbelde schelp vinden gretig aftrek in Zuid-Europese landen, waar zij gegeten worden als onderdeel van paella of als tapas.

De kokkels worden in het najaar opgevist met een kokkelkor. Dit is een soort stofzuiger die kokkels van een bepaalde grootte van de bodem opzuigt. Gemonteerd op een slede wordt het gevaarte over de wadbodem voortgetrokken. Voorop is de slede voorzien van een spuitmond die onder een hoek van 45 graden het zand wegspuit zodat de kokkels bloot komen te liggen. Vlak daarachter volgt een mes dat door de bodem glijdt en de kokkels opwipt. Een afzuigbuis op het eind van de kor voert de kokkels naar het schip.

De korren laten langgerekte `krassen' op het wad na. ,,Ja, de sporen van het vissen zie je goed'', geeft secretaris van het Productschap Kokkelvisserij Jaap Holstein onmiddellijk toe, ,,Er zijn onmiskenbaar effecten, maar of die zo schadelijk zijn, dat is de vraag. Ze zijn in ieder geval niet onherstelbaar. Een heel seizoen vissen komt qua schade neer op een flinke winterstorm.''

En daar verschilt hij van mening met Theunis Piersma, onderzoeker bij het NIOZ. Piersma was in 1988 op het eiland Griend (midden in de Waddenzee tussen Terschelling en het Friese vasteland) getuige van hoe de bodem van het wad werd omgeploegd door kokkelvissers. Piersma's onderzoeksobject de kanoetstrandloper – die voorheen in grote aantallen op de platen ten noorden van Griend fourageerden – week prompt uit naar andere delen van het wad. En de effecten van die ene visactie van jaren geleden zijn nog steeds merkbaar. ,,Uit nieuw onderzoek blijkt bovendien dat het langetermijneffect dat we waarnemen bij Griend waarschijnlijk geldt voor de hele Waddenzee.''

Piersma en zijn collega's onderzochten het effect van kokkelvisserij op de broedval (het uitzaaien van jonge schelpjes) van verschillende schelpdieren. ,,Wij hebben nu aangetoond dat ook het nonnetje, een schelpdier waarmee de kanoet zich voedt, door de visserij achteruitgaat. De oude nonnetjes overleven de sleepkor redelijk, maar de broedval loopt de jaren daarna fors terug. Uit een andere studie, een dertig jaar lange serie waarnemingen op het Balgzand, is gebleken dat de broedval de voornaamste factor is die de populatiegrootte bepaalt.''

Daarbij komt dat de kanoet in een door de kokkelvisserij omgewoelde bodem zijn prooi niet meer kan vinden. Natuurlijke wadbodems zijn goed gesorteerd doordat wadpieren het slik naar boven werken, oud schelpmateriaal zakt dieper weg in de bodem. Met zijn snavel met een drukgevoelig orgaan `ziet' de kanoet waar in de wadbodem schelpen verstopt zitten. In een omgewoelde bodem verstoort het schelpgruis dat beeld. Piersma vermoedt dat dat een extra reden is waarom de kanoet zich niet op het beviste deel van het wad bij Griend laat zien.

Dat er af en toe weinig voedsel is voor wadvogels, is volgens Holstein een natuurlijk gegeven. ,,Kokkels hebben een vrij korte levensduur. De helft sterft in een jaar. De bestanden kennen enorme pieken en enorme dalen. Dat is al eeuwen een vast patroon en dus niet afhankelijk van de visserij.''

Toch zijn de cijfers van stervende vogels soms dramatisch, getuigt ook Kees Camphuysen, collega van Piersma bij het NIOZ. ,,In de winter van 1999 zijn er wel 21.000 dode eidereenden aangespoeld. De normale sterfte ligt tussen de 2.000 en 4.000. De oorzaak? Verhongering. De dode dieren zijn 40 procent van hun lichaamsgewicht kwijt; al hun vet is weg. De vogels sterven vaak aan parasitaire wormen die normaal ook in de darm voorkomen en waar ze meestal nauwelijks last van hebben, maar die zich nu door een verminderde afweer een weg door het lichaam van de verzwakte dieren vreten.''

Eidereenden hebben het extra moeilijk in warme winters. De schelpdieren die ze eten zijn koudbloedig en dat zorgt ervoor dat zij bij hoge omgevingstemperatuur meer energie verbruiken, waardoor ze vermageren. De eider moet dan dus veel meer schelpdieren eten om aan zijn energiebehoefte te voldoen.

Camphuysen berekende dat een eider per dag gemiddeld 772 gram vers schelpdiervlees (vooral mossels en kokkels) eet. Omgerekend naar alle eidereenden in de Waddenzee komt dat overeen met 18,8 miljoen kilo. Volgens schattingen van het RIVO oversteeg alleen al het kokkelbestand van de Waddenzee in 2000 de 50 miljoen kilo. Er ligt dus meer dan voldoende, zou je zeggen. Maar dat is blijkbaar schijn, stelt Camphuysen: ,,De eisen van eiders zijn namelijk hoog: het eten van schelpdieren moet meer opleveren dan het kost. De vogel duikt de schelpen op en slikt ze geheel door. In zijn spiermaag worden de schelpen gekraakt en omdat er ook veel water meekomt, moet de vogel ook flink bijstoken om op temperatuur te blijven.

,,Vissers en eidereenden zitten duidelijk in elkaars vaarwater, dat blijkt wel als je de kaartjes over elkaar legt. Ze zijn allebei op zoek naar grote schelpen die op enige diepte in voldoende hoge dichtheden liggen. De eenden duiken naar hun voedsel en de schepen moeten voldoende vaardiepte hebben. Dat is natuurlijk geen bewijs dat de vissers de boosdoeners zijn, maar het toont wel aan dat er een potentieel conflict is.''

Volgens Holstein valt dat wel mee: ,,De eidereend heeft een voorkeur voor mosselen, kokkels zijn tweede keus. Bovendien vissen we de zee niet leeg, een deel van de kokkels blijft liggen. Vissers gaan ook liever wat langer vissen en komen dan met grotere kokkels thuis die meer opbrengen, dan dat zij de dichtstbevolkte banken uitzoeken. Die zijn misschien meer geschikt voor de eenden.''

Maar Camphuysen houdt het erop dat de voedselbronnen voor de eider zijn opgedroogd: ,,De eidereend is slachtoffer geworden van een complex van factoren. De problemen begonnen tien jaar geleden toen de natuurlijke mosselbanken in de Waddenzee door visserij verdwenen. De eidereenden zijn toen massaal uitgeweken naar de cultuurvelden van de mosselvisserij en in magere jaren zelfs naar gebieden in de Noordzee waar zij leefden van spisula (de halfgeknotte strandschelp). Die omschakeling is best aardig gegaan. Eiders zijn gewend om uit te zien naar alternatieven, want bij een slechte broedval van mosselen of kokkels moeten ze kunnen overstappen.

,,Het ging goed totdat de vissers ook belangstelling kregen voor spisula. In 1993 zijn alle spisulabanken ten noorden van de Waddeneilanden opgevist en in de paella verdwenen. Dat heeft het licht uitgedaan voor de eidereenden. De pest is dat ik niet kan hardmaken dat de visserij blaam treft zolang ik niet over juiste gegevens van schelpdieraantallen beschik. En die wil men niet geven.''