Vangmethoden

De professionele visser kan op veel manieren jagen op zijn buit. Afhankelijk van de gezochte vissoort kan hij kiezen uit een breed scala van netten, korven en haken. Moderne technieken als echo- locatie en navigatie via satellietsystemen helpen hem de gewenste vissoort snel te traceren. Moderne vangmethoden helpen de visser de buit in een mum van tijd binnen te halen. Maar vis kan ook gekweekt worden. Een overzicht van methoden om te vissen.

KORVEN

Korven worden meestal gebruikt om kreeften, pijlinktvis, octopus, krabben en paling te vangen. Een korf, ook wel korffuik genoemd, is gemaakt van wilgentenen en heeft de vorm van een ton. De korf heeft één of twee trechtervormige ingangen. Hij wordt meestal verzwaard, zodat hij goed in het water blijft liggen. Verder wordt een korf vaak voorzien van aas, om de vissen te lokken.

Halverwege de jaren negentig zijn professionele vissers weer begonnen met het vangen van kreeften met behulp van korven in de Oosterschelde. Kreeften waren na de vrieswinter van 1963 vrijwel geheel verdwenen uit de Nederlandse wateren. De korven leiden nu tot ruzie tussen vissers en watersporters. Korven belemmeren watersporters.

HAKEN EN LIJNEN

Een haak bestaat uit een oog, een been, een boog en een punt. Het oog is geheel rondgebogen, of heeft een platgeslagen uiteinde. De punt heeft vaak een weerhaak, maar bij bijvoorbeeld tonijnhaken is deze niet aanwezig. In de tonijnvisserij slaan vissers de aan boord gehesen vissen, zodat ze van de haak glijden.

Sinds de prehistorie gebruiken vissers de haak. Tegenwoordig gebruiken voornamelijk sportvissers en vissers die jagen op grote vissen, zoals haaien en zalm, de haak.

Zonder lijn kan de visser de haak niet gebruiken. In de professionele visserij zitten de lijnen aan lange hengels. Ze hebben vaak verschillende gewichten, zodat ze bij het inhalen niet door elkaar raken.

SLEEPNETTEN

Het sleepnet wordt ook wel bodemtrawl, kor, schrobnet of treil genoemd. Het is een trechtervormig net met twee vleugels. De vis zwemt er nietsvermoedend in en komt vervolgens terecht in een verzamelpunt: een fijn gemaasde zak of kuil. Afhankelijk van de gezochte vissoort, hebben de vleugels van de trawl verschillende draaddikte en maaswijdte. Eén of twee schepen trekken het sleepnet, afhankelijk van de grootte van het net. Een trawl hoeft niet over de bodem te slepen. Voordat de vissers het sleepnet binnenhalen, wordt de kuil met een touw dichtgebonden. Als de kuil eenmaal aan boord is, maken de vissers het touw los, waadoor de vis op het dek stort. Nederlanders gebruiken deze vangmethode vooral om in ondiep water op tong te vissen.

KOMMEN

Professionele vissers bevestigen deze grote vanginstallaties in ondiep water aan de bodem. Ze gebruiken kommen voornamelijk voor de vangst op vissen die voor hun jaarlijkse paai- en voedseltochten naar de kustgebieden trekken, zoals haring, zalm, paling, kabeljauw, geep, snotolf en makreel. De lange baan van de kom leidt de vissen naar een ingang in de vorm van een fuik. Deze mondt uit in een kamer. De wanden van de kom komen boven het water uit, de onderzijde van de kom is afgesloten met netten, zodat de vissen geen kant op kunnen.

DRIJFNETTEN

Drijfnetten hangen verticaal in zee aan boeien. De vissen zwemmen tegen het net, raken verstrikt en kunnen zodoende makkelijk gevangen worden. Vis vangen met een drijfnet is een passieve vorm van vissen. De visser zet het net, dat wel kilometers lang kan zijn, uit, wacht een tijdje en haalt het net vervolgens over een rubberen rol binnen. Vooral zalm, koolvis en haring worden met drijfnetten gevangen.

Vissers die werken met drijfnetten hebben veelal een grote bijvangst. Naast de gewenste vissoort, raken ook dolfijnen, schildpadden en andere zeedieren in de drijfnetten verstrikt. De bijvangst is soms groter dan de vangst die verkocht kan worden. Na een jarenlange lobby van milieuorganisaties is de vangst door middel van drijfnetten met ingang van 2002 verboden in de Europese landen. Daartoe werd in 1998 besloten. Tot 2002 zal het aantal schepen dat met drijfnetten vaart, geleidelijk worden verminderd. Vorig jaar nog spoelden honderden dode dolfijnen aan op de Franse kust, die vermoedelijk eerder in netten verstrikt waren geraakt.

KWEKEN

In Nederland worden vooral mosselen en oesters geteeld in afgebakend water. De teelt van mosselen heeft plaats in de Oosterschelde en de Waddenzee. In mei vissen de mosselkwekers het mosselzaad op. De kwekers zaaien de kleine mosseltjes in diep water uit. Als de mosselen half volgroeid zijn, worden ze weer opgevist en naar percelen gebracht waar ze kunnen volgroeien. De percelen zijn afgebakend met lange takken, ook wel bakens genoemd. Als de kweker zijn volgroeide mosselen opvist, zijn de schelpen veelal bevuild met zand en slib. Veel handelaren zetten daarom na de koop van mosselen de weekdieren even terug in de Oosterschelde, om ze te ontdoen van zand en slib. Daarnaast gebruiken de handelaren deze zogenoemde verwaterplaatsen als natte pakhuizen. Het kweekseizoen van oesters begint in juni of juli, als de watertemperatuur hoger dan achttien graden is. Eerst zaait de kweker lege mosselschelpen uit in laag water en daarna oesterlarven of -broed. De Nederlandse platte oesters blijven in tegenstelling tot de Japanse vanaf het moment dat het broed op de percelen is aangebracht totdat zij consumptiegrootte bereiken, op hetzelfde kweekperceel liggen. Pas na vier tot vijf jaar zijn oesters geschikt voor consumptie.

KEERNETTEN

Scholenvis, zoals tonijn, makreel, sprot, lodde en haring, wordt vaak gevangen met keernetten. Keernetten zijn rechthoekige netten. Ze kunnen wel 150 meter hoog en 500 meter breed zijn. Aan de bovenzijde van het net bevindt zich een aantal drijvers. Aan de onderzijde zijn grote koperen of messing ringen bevestigd, waardoor de onderkabel loopt. Door middel van loden gewichten zinkt de onderzijde het water in. De vissers lokaliseren eerst een school, gooien een drijvend anker uit, varen om de school heen en trekken vervolgens de onderkabel van het keernet dicht. Na ongeveer een kwartier halen de vissers de boei en beide kanten van de onderlijn in. Ze trekken vervolgens de vangst naar het schip toe en hijsen die aan boord.

Vroeger werd het keernet door twee schepen om de school heen gevaren. Tegenwoordig kan dit met één schip gebeuren, doordat vissers een hijsblok, een katrol om grote vrachten mee op te hijsen, gebruiken.

ECHOLOCATIE

Met behulp van echolocatie wordt een vissenschool tegenwoordig met groot gemak opgespoord. Echolocatie werkt als volgt: een oscillator, een toestel dat trillingen opwekt, staat in het midden van de bodem van het schip en stoot met korte tussenpozen geluidsgolven uit. De geluidsgolven kaatsen op de bodem van de zee of oceaan terug. Een microfoon vangt de geluidsgolven, de echo's, op. Doordat bekend is dat het geluid in water een snelheid van ruim 1.400 meter per seconde heeft, kunnen schippers de diepte van de zee of oceaan berekenen en kunnen ze scholen opsporen. Deze berekeningen worden tegenwoordig machinaal gedaan.

Moderne trawlers zijn vaak uitgerust met een zender: een echolood dat de hoogte tussen de boven- en onderpezen van het net, de afstand tot de bodem en de hoeveelheid vis aan de ingang van het net weergeeft. Zodoende weet de schipper precies wanneer hij het net moet inhalen.