Trots als teken van onzekerheid

Stel dat in Nederland een politicus openlijk zou verklaren: ,,Ik ben er trots op Nederlander te zijn'' – zou er hier dan eenzelfde storm opsteken als in Duitsland de secretaris-generaal van de Christen-democratische Unie, Laurenz Meyer, heeft verwekt door uit te komen voor zijn trots op zijn – Duitse – nationaliteit?

Toegegeven: die storm werd nog aangewakkerd door de reactie die de groene minister voor milieu, Jürgen Trittin, erop gaf: ,,Laurenz Meyer heeft de mentaliteit van een skinhead, niet slechts het uiterlijk'' (Meyer is namelijk kaal). Deze grove, op de man gespeelde opmerking joeg natuurlijk de kat helemaal in de gordijnen (en was – tussen haakjes – vermoedelijk mede verantwoordelijk voor de nederlaag die de Groenen bij de verkiezingen van zondag leden).

Hoe dan ook, talloze Duitse politici zagen zich gedwongen zich uit te spreken over de gevoelens die de eigen natie bij hen wekte. Het is weinig waarschijnlijk dat zo'n uitlating als die van Laurenz Meyer hetzelfde gevolg in ons land – of welk ander Europees land dan ook – zou hebben. Het tekent de onzekere houding die de Duitsers tegenover hun natie hebben.

Die houding is altijd onzeker geweest – ook in de tijden van Duitslands macht, want het gebral dat toen te horen was, verried ook een diepe onzekerheid. Maar de misdaden van de door miljoenen Duitsers toegejuichte Hitler hebben die onzekerheid extra versterkt. Sindsdien hebben, aldus de politicologe Antonia Grunenberg, vele Duitsers de schuld aan de holocaust begrepen als een ,,impliciete aansporing afstand te nemen van eigen land''.

Zo'n houding is natuurlijk evenmin gezond. Iemand hoeft geen nationalist te zijn om toch van zijn land te houden. Waarom zouden Duitsers dat dan niet mogen doen? Het is de noodlottige vereenzelviging van natie met nationalisme die de verwarring vergroot: nationalisme is fout, dus mag je ook geen aanhankelijkheid jegens je natie voelen.

Het verschijnsel is overigens niet typisch Duits. Wie in andere landen de ideologie van het internationalisme was toegedaan, heeft ook lange tijd dubbelzinnig tegenover de eigen natie gestaan. Het is pas tegen de Tweede Wereldoorlog dat de socialisten, onder dreiging van Hitler, de natie hebben herontdekt.

Maar in Duitsland heeft Hitler, zoals hij op zovele terreinen heeft gedaan, de normale gevoelens van nationale solidariteit geperverteerd. De gevolgen daarvan doen zich nog steeds voelen in een overdreven voorzichtigheid tegenover het begrip natie en een vrees anderen angst aan te jagen. De vanzelfsprekendheid waarmee andere volken hiermee omgaan, is in Duitsland nog ver – zoals weer blijkt uit de storm die Laurenz Meyer zaaide.

Intussen was zijn opmerking over de trots op zijn Duitserschap natuurlijk dom – niet alleen tactisch dom, maar fundamenteel dom. Montesquieu heeft eens gezegd dat de natuur hem tot mens had gemaakt en het toeval tot Fransman. De nationaliteit biedt dus geen reden tot trots. Trots mag je alleen maar zijn op wat je zelf tot stand of teweeg hebt gebracht, zoals bondspresident Rau zei.

Rau sprak in de geest van Schopenhauer, die eens de nationale trots ,,de goedkoopste soort van trots'' genoemd heeft, omdat hij ,,in degeen die daarmee behept is, het gebrek aan individuele eigenschappen verraadt waarop hij trots zou kunnen zijn''. Die trots is echter een algemeen menselijk verschijnsel. Zo zijn er weinigen die niet op z'n minst een beetje trots voelen wanneer een landgenoot de Nobelprijs of hun nationale elftal het wereldkampioenschap heeft gewonnen. Zelf hebben zij aan het een noch aan het ander ook maar iets bijgedragen

Nationale trots is dus een uiting van kuddegeest – menselijk, maar tegelijk ook gevaarlijk. En wie, zoals ik op het ogenblik, het postuum verschenen boek van Sebastian Haffner Geschichte eines Deutschen, zijn herinneringen uit de jaren 1914 tot 1933, leest, kan moeilijk aan de conclusie ontsnappen dat in het Duitse geval nationale trots ook historisch ongegrond is.

Haffner beschrijft op klemmende wijze hoe de Duitsers, die nog op 5 maart 1933 – vijf weken nadat Hitler rijkskanselier was geworden – in meerderheid op andere partijen dan de nationaal-socialistische hadden gestemd, toch uit zwakte en lafheid bezweken (hun politieke leiders voorop) voor Hitlers terreur en nog in dezelfde maand, communisten incluis, massaal naar hem overliepen.

,,Eens zal dat onvermijdelijk zijn uitwerking tonen – waarschijnlijk in de ontbinding (Auflösung) van de Duitse natie en haar staatkundige vorm'', schrijft hij met vooruitziende blik – vooruitziend omdat hij zijn boek eind jaren `30 schreef, toen hij in Londense ballingschap leefde (het manuscript werd na zijn dood in 1999 tussen zijn papieren gevonden).

De Duitsers hebben zich, schrijft hij verder, zich ,,als natie onbetrouwbaar, slap, zonder kern'' betoond. ,,Maart 1933 heeft het bewezen. In het ogenblik van de uitdaging, wanneer bij volken van karakter, als op afspraak, een algemeen spontaan elan volgt, volgde in Duitsland, als op afspraak, een algemene desertie en verslapping, een gevoegzaamheid en capitulatie – kortom: een zenuwinstorting.''

Alle waardering, ja bewondering die we moeten hebben voor de wijze waarop de Duitsers zich na 1945 hersteld hebben en ook, anders dan sommige andere volken, de donkere zijden van hun verleden onder ogen hebben durven zien – het feit dat Haffners boek al wekenlang nummer 1 is op de lijst van bestsellers, bewijst het nog eens – kan niet beletten achter een betuiging van nationale trots ook een innerlijke onzekerheid te vermoeden. Whistling in the dark noemen de Engelsen dat.

Volgens een peiling van de openbare mening die het weekblad Der Spiegel verleden week liet houden, zei 30 procent van de ongeveer duizend ondervraagden trots te zijn een Duitser te zijn, 35 procent blij te zijn een Duitser te zijn, maar daar geen trots aan te ontlenen; 2 procent het onaangenaam te vinden als Duitser gezien te worden; en 27 procent onverschillig tegenover die vraag te staan. Wat zouden de percentages zijn bij een soortgelijke enquête in andere Europese landen, bijvoorbeeld Nederland?