Met een economische blik naar de zee kijken

Vis is een schaars product. En het wordt steeds schaarser. Daarom moeten landen afspraken maken over hun vangsten.

EEN VIS HEEFT GEEN PASPOORT. Vissen houden zich ook niet aan lands- of zeegrenzen. Vissen `migreren' van land naar land, van zee naar zee en soms zelfs van continent naar continent. Vissers daarentegen zijn gebonden aan hun landen. Stel nu dat Franse vissers alle vis die voorbij hun land zwemt en op weg is naar, zeg, Nederland, opvissen, dan blijft er voor de Urker visvloot niet zo gek veel te vissen meer over. En dat terwijl ook Nederlanders graag een vers visje vangen.

Zie hier de noodzaak van internationale afspraken over visserij. Op zich is het vreemd dat vis geen puur nationale kwestie is. Immers, alle landen die aan zee grenzen hanteren de zogenoemde 200-mijlszone als ware het hun eigen gebied. Zo niet voor vis.

Wat het des te belangrijker maakt om afspraken te maken over visserij is dat vis, net als andere `grondstoffen', een schaars product is. Een langzamerhand erg schaars product trouwens, want om één kilo vis te vangen moet een gemiddelde Nederlandse visser gemiddeld vier liter stookolie verstoken. Dat dat besef van schaarste pas rond 1975 doordrong tot de internationale gemeenschap mag op zich niet opmerkelijk heten. De groei van de wereldbevolking en het besef dat het milieu niet onbeperkt de klappen van de economische groeistuipen op kan vangen, drong rond die tijd immers op meerdere terreinen door. Overigens merkte de Nederlandse jurist en staatsman Hugo de Groot reeds in 1609 in zijn Mare liberum, het zeerechthoofdstuk uit het vermaarde De iure praedae, op dat wat de natuur aan rijkdom voortbracht in tact diende te worden gelaten, met het oog op latere generaties. Vis moet kortom een beetje eerlijk verdeeld worden.

Eigenlijk al sinds honderd jaar heeft de wereldgemeenschap de opdracht van De Groot ter harte genomen met de oprichting van een wijdvertakt netwerk van bestuursorganen, comités, afspraken, regelingen en quota's. Er is een ware wereldbureaucratie opgebouwd om de stand der bewoners van de zeeën te beheersen en hun bevissers aan banden te leggen. Maar werkt dat?

Cruciaal voor de te vangen hoeveelheid vis is de grootte van de visbestanden. De omvang per soort en per gebied wordt vastgesteld door de visserijbiologen van de ICES, de International Council for the Exploration of the Sea. Deze organisatie is in 1902 opgericht, toen bleek dat er op de Noordzee veel te veel gevist werd. Grootste verdienste van deze raad is dat vanaf het begin van de 20ste eeuw een helder beeld ontstond van de problemen die zich door overbevissing voordeden. Tot het daadwerkelijk besturen van vis kwam het pas in 1977. Toen werden er bindende afspraken over internationale visstanden gemaakt die ook handhaafbaar bleken. De eerste twintig jaar maakte het goedgeorganiseerde noordelijk halfrond gebruik van het gebrek aan regelgeving in het zuiden. Ontwikkelingslanden stonden hun visquota af onder het pay catch and go-principe. Pas later zagen de geïndustrialiseerde landen in dat ook de ontwikkeling van een volwaardige visserijindustrie in ontwikkelingslanden van groter belang was. Dat inzicht is langzaam maar zeker tot ontwikkeling gekomen in de verschillende verdragen waaraan landen zich nu moeten houden in de internationale visserij.

Er is het visverdrag van de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties, er zijn bilaterale verdragen en verdragen tussen landen in een bepaalde regio. Vis wordt, kortom, sinds 1996 echt mondiaal bestuurd. Er zijn enkele tientallen organisaties dagelijks bezig met het bijhouden van de visstanden, het controleren van de territoriale en buitenterritoriale wateren, het controleren van havens, het meten van vissen en het opsporen van heuse piraten.

De belangrijkste internationale organisatie op visserijgebied is de NAFO, de North-west Atlantic Fishing Organization. Daarnaast zijn er ook regionale visserijorganisaties voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, voor het gebied rondom Senegal, Marokko en Mauretanië, voor de Aziatische wateren en ga zo maar door. Doel van de internationale organisaties die zich met de beheersing van de visstanden hebben beziggehouden, is altijd geweest te zorgen dat er voldoende vis overbleef om te kunnen blijven vissen. Een goed voorbeeld daarvan is het gemeenschappelijk visserijbeleid dat de Europese Unie hanteert sinds 1982. Er werd één Europese 200-mijlszone ingesteld en er kwamen afspraken over het totale aantal toegestane vangsten, de nationale quota, de toerusting van de vissersvloot, de manier van bevissing en het zogenoemde structuurbeleid, ofwel de capaciteit van de vissersvloot. Jaarlijks stelt de Europese Commissie, in de beruchte (want: uren durende) decembervergadering van de Visserijraad, de Total Allowable Catches (TAC's) alsmede de nationale quota vast.

De hoeveelheid te vangen vis is afhankelijk van het advies van de visserijbiologen. Zij proberen ieder jaar zo goed en zo kwaad als het kan de omvang van de diverse populaties vast te stellen. Een lastige klus, want, zoals een landbouwambtenaar het formuleert: ,,Het zit allemaal onder water en je ziet dus niet wat er gebeurt.'' Regelmatig blijken de biologen er dan ook naast te zitten, hetgeen in het slechtste geval leidt tot een acute stop van de bevissing van een bepaalde soort. Deze zomer bleek de kabeljauw bijvoorbeeld ineens tot ver onder het biologisch minimum te zijn geschoten. Just van den Broek van Greenpeace heeft maar weinig fiducie in de biologen. ,,Ze kijken met een economische bril naar de zee. Ze stellen van tevoren dat er een bepaald biologisch minimum is en als een vissoort daaronder komt, trekken ze aan de bel. In de praktijk blijkt echter dat ze continu op dat biologisch minimum aankoersen, zodat stops als nu bij de kabeljauw regelmatig voorkomen.''

De klacht van veel visserijorganisaties dat de internationale visserij ondergaat in een zee van bureaucratie, lijkt met bovenstaande in het achterhoofd gerechtvaardigd. Maar tussen de zee van papieren regels en de daadwerkelijke handhaving gaapt een groot gat. Grootste probleem bij de handhaving van het internationale visserijbeleid is piraterij. Illegale bevissing van wateren van landen die het met de controle niet zo nauw nemen, of vloten die onder een zogenoemde goedkope vlag varen. Landen als Colombia, Panama, Belize en Honduras hebben geen van de internationale visverdragen ondertekend omdat zij weinig eigen vloot hebben. Zij verhandelen echter wel hun `vlaggen' aan andere landen die graag willen vissen. Alleen de landen van de Europese Unie al hebben in totaal 180 schepen onder dergelijke goedkope vlaggen varen. Op zich niets illegaals aan, immers, geen verdrag betekent geen verplichtingen, maar van enige beheersing van de visbestanden is zo geen sprake meer.

De enige echte oplossing voor het in stand houden van een duurzaam visbestand is volgens milieuorganisatie Greenpeace dan ook het terugbrengen van de internationale vissersvloten tot dusdanige omvang dat zij simpelweg niet meer teveel kúnnen vissen. De Europese Unie lijkt zich daar in een vorige week uitgekomen `Groenboek' bij aan te sluiten. De vissersvloot moet volgens de EU 40 procent kleiner en de aandacht verschuift van een economische duurzaamheid naar een meer ecologische duurzaamheid in de wereldzeeën. En daarmee is, bijna 400 jaar na Mare liberum, de doelstelling van Hugo de Groot eindelijk ingehaald door een actuelere werkelijkheid.