Meesterschap hangt naast knulligheid

De bijnaam van de geportretteerde is omgekeerd evenredig met de afmetingen van zijn beeltenis: een van de kleinste werken in de tekeningenexpositie in het Haags Historisch Museum, toont `le grand Condé'. De geportretteerde Lodewijk II, prins van Condé en vermaard veldheer van koning Lodewijk XIV, werd in 1649 getekend door de Franse kunstenaar Pierre Mignard. Met de grafietstift legde hij de geharnaste halffiguur, met tot ver over de schouders vallend haar, levendig en gedetailleerd vast op een stukje perkament van nog geen 15 centimeter hoog. Even verderop in de tentoonstelling hangt de ruim een halve meter hoge pastel Pierrot van de hand van de in 1928 geboren schilder Pierre Lavarenne – een ietwat houterig weergegeven jongensfiguur tegen een felrode achtergrond.

Een groter contrast tussen beide werken is nauwelijks denkbaar, in afmetingen, tijd van ontstaan maar ook in stijl, techniek en thematiek. En dat blijkt precies de bedoeling. De expositie beoogt met een keuze van 90 bladen een zo gevarieerd mogelijk beeld te geven van de verzameling van het echtpaar Nijstad-Einhorn die, met een verwijzing naar de meisjesnaam van mevrouw, `Unicorno-collectie' is genoemd. Kwaliteit, zo stelt de catalogus, was bij de selectie niet het belangrijkste criterium, en dat levert een presentatie op waarin onmiskenbaar meesterschap samengaat met opvallende knulligheid. Van de laat-achttiende-eeuwse anonymus bijvoorbeeld, die een interieur van een patriciërswoning weergaf. Het perspectief in dit blad laat veel te wensen over, net als de weergave van twee figuren die op een bankje zitten te converseren. Toch geeft dit blad een aardig beeld van zo'n interieur uit de tijd vlak voor 1800, met zijn lage stoelen met Venetiaanse stadsgezichten aan de wand.

Nijstads professie van kunsthandelaar heeft duidelijk zijn stempel gedrukt op de verzameling die het echtpaar in ruim vijftig jaar bijeen heeft gebracht. De collectie lijkt het resultaat van een veelzijdige belangstelling, en een neus voor aantrekkelijke werken, zo niet uit de eredivisie van de tekenkunst, dan toch uit de eerste divisie. Sommige werken zijn geschenken van bevriende kunsthandelaars; één is zelfs getekend door Nijstads collega Kurt Benedict, en is vooral van waarde om die persoonlijke achtergrond. Een veel belangrijker blad, met een allegorische vrouwenfiguur van de achttiende-eeuwse Fransman Anicet Lemonnier, werd naar het schijnt als kerstgeschenk aan Nijstad toegestuurd, verstopt in een doos bonbons. Invoerrechten voor deze zending werden wel betaald over de bonbons, maar niet over de door de douaniers onopgemerkt gebleven tekening. Dat is de betere petite histoire, maar die wat rommelige jongensboekensfeer lijkt zich ook in de catalogus voort te zetten, als blijkt dat van veel werken de herkomst niet wordt vermeld omdat die onbekend zou zijn.

Het misstaat in de overigens informatieve publicatie en leidt de aandacht af van de tekeningen zelf. De enige beperking die bij de keuze daarvan is gehanteerd, betreft de herkomst van de kunstenaars. De Unicorno-collectie is in Nederland bijzonder omdat ze veel werk bevat van buitenlandse kunstenaars, en die spelen in deze tentoonstelling de hoofdrol. Een zwaartepunt ligt bij tekeningen uit de Franse achttiende eeuw, maar ook kunstenaars uit minder voor de hand liggende artistieke regio's zijn vertegenwoordigd, zoals de Zwitser Gotthard Ringgli van wie een mooi met figuren volgepend blad wordt getoond van Ezechiël in de vallei van de dorre beenderen (1600). Tekeningen van Nederlandse kunstenaars zijn er ook, als ze maar buitenlandse thema's in beeld brengen. Een aantrekkelijke afdeling in de tentoonstelling is dan ook een serie bladen met Italiaanse gezichten, van een vlot geschetst kustgezicht, toegeschreven aan Adriaen van der Kabel (1630/31-1705) tot mooie Romeinse ruïneportretten van Josephus Augustus Knip (1777-1847). Omstreeks 1900 maakte Jacobus Cossaar een aquarel van een paar zeilschepen in de dokken van Londen. Het blad vormt bijna een echo van de marines van de negentiende-eeuwse Engelse schilder Thomas Bush Hardy elders in de expositie. Op zijn beurt liet Hardy zich inspireren door Hollandse zeeschilders, in zijn atmosferisch effectrijke voorstelling van zeilschepen in de monding van een rivier waar een Nederlands vlaggetje wappert.

Tentoonstelling: Grenzeloos goed; tekeningen uit de Unicorno collectie. Haags Historisch Museum, Korte Vijverberg 7, Den Haag. T/m 27/5. Open: di-vr 11-17u, za-zo 12-17u. Catalogus: 168 blz., fl. 29,90.