In Japan staat de walvis al eeuwen op het menu

Ondanks internationale protesten blijven Japanners walvisvlees eten. Waarom niet, eigenlijk? De discussie is verzand in emotionele propaganda.

JAPANSE PRO-WALVISVAARTLOBBYISTEN zouden prachtig promotiemateriaal kunnen halen uit de barbarij die recentelijk in Europa rondwaart. De beelden van kranen waarmee kadavers worden `geruimd' en de grote open vuren waarin ze verdwijnen zijn de verwezenlijking van de hel zoals ooit geschilderd door Hiëronimus Bosch. Nu de intensieve veehouderij zijn zwaktepunten toont, klinkt walvis als een gezond alternatief. Walvissen zitten niet in krappe hokken, maar zwemmen vrij rond in zee en krijgen geen gemalen kadavers van soortgenoten in hun dieet. Hooguit is de chemische vervuiling van de zee een bedreiging voor hun gezondheid. Desondanks houdt de Japanse pro-walvisvaartlobby zich vooralsnog in met het misbruiken van het ongeluk van Europese varkens en ander vee ten behoeve van de walvispromotie.

Japanners, eilandbewoners als ze zijn, behoren tot de grootste viseters ter wereld. Bewoners van de bergen in het binnenland eten vanouds nog wel eens wilde zwijnen of beren, maar grootschalige veeteelt is nooit van de grond gekomen. Op het gewone menu staan in Japan vooral alle mogelijke geschenken van de zee zoals zeewier in tientallen soorten, exotische dieren als zeekomkommers, zee-egels en een zeeslak als de tolhoorn, en daarnaast natuurlijk de gewonere vissen en schelpen. En in sommige gebieden waar walvissen langs de kust trekken, komt ook walvisvlees al eeuwen op tafel.

Moderne scheepvaart maakte in de afgelopen eeuw industriële vangst op de wereldzeeën mogelijk en zodoende werd met name in hongerig naoorlogs Japan walvisvlees een van de belangrijkste eiwitbronnen. Elke Japanner van middelbare leeftijd heeft op de lagere school walvisvlees gegeten in de van overheidswege verstrekte schoollunches. Tegelijkertijd jaagde ook de geïndustrialiseerde Westerse wereld op grote schaal op walvissen, niet voor consumptie maar voor bijvoorbeeld smeerolie en cosmetische doeleinden.

Het resultaat was dat de walvisstand sterk terugliep en de International Whaling Commission (IWC) in 1982 een moratorium op walvisvaart afkondigde dat enkele jaren later van kracht werd. Sindsdien is de discussie rond walvisvaart echter verzand in hopeloze emotionele propaganda, vooral van de zijde van de Europees-Amerikaanse lobby tégen de walvisvaart. Greenpeace presenteert op zijn website video's die bol staan van propaganda over activisten met ,,slechts één doel voor ogen: het redden van de walvissen'', dan wel ,,het stoppen van de massamoord op walvissen'' waarvan de ,,aantallen dalen'' en die anders terecht zouden komen in de ,,luxe Japanse walvismarkt''. De Greenpeace-activisten als moderne kruisridders in gevecht tegen het Japanse grootkapitaal.

In deze hele antiwalvisvaartpropaganda blijft achterwege dat `de' walvis niet bestaat. Er bestaan vele soorten walvissen waarvan een groot aantal zeker bescherming verdient omdat hun aantallen nog steeds laag zijn. Maar van een walvis als de dwergvinvis (de kleinste baardwalvis) zijn de aantallen juist gegroeid en zwemmen er naar schatting tussen de acht- en negenhonderdduizend rond in de oceanen. Ook de stereotype walvis, de potvis, is met zo'n twee miljoen exemplaren geenszins bedreigd, al wordt dit aantal gezien als iets lager dan voor de jaren van grootschalige industriële jacht. Deze aantallen zijn helaas niet terug te vinden op de speciale walvispagina's op de website van Greenpeace Nederland. Er staat slechts felle propaganda tegen Japan en Noorwegen en de bezoeker wordt gevraagd ook zijn protest in te dienen. Wie zoekt kan de cijfers wel vinden op de Engelstalige site.

De relevantie van het noemen van de dwergvinvis is dat Japan juist op deze walvis al jaren voor wetenschappelijk onderzoek jaagt. Recent heeft het daar de potvis en Bryde's walvis aan toegevoegd. Bij deze laatste staat Japan minder sterk in zijn schoenen, want de schattingen liggen rond de 90.000 exemplaren.

Ook over de waarde van het wetenschappelijk onderzoek dat Japan doet, lopen de meningen uiteen. Greenpeace Nederland stelt: ,,Maar DNA-onderzoek wees uit dat het vlees gewoon op de markt belandt. In Japan is walvisvlees een delicatesse.'' De IWC éist nota bene dat bij vangst voor wetenschappelijk onderzoek ,,het dier wordt gebruikt als de gewenste gegevens zijn verzameld''. Woonachtig in Japan is ook het begrip `delicatesse' mij geheel onduidelijk, tenzij Greenpeace bedoelt dat de Japanse keuken zo voortreffelijk is dat alles een delicatesse wordt. Ik kom regelmatig in doodgewone eethuisjes walvis op de menukaart tegen, al kom ik het minder vaak tegen dan vissoorten als kabeljauw of sardine.

Zoals kan worden afgeleid uit de eis van de IWC is de wetenschappelijke jacht in overeenstemming met de regels van de commissie. De vraag die resteert is natuurlijk of het onderzoek ook nodig is. Het wetenschappelijke comité van de IWC heeft gesteld dat de vangsten van dwergvinvissen bij de Zuidpool (het langstlopende project van Japan) ,,informatie levert die leidt tot substantiële verbetering van de kennis over de structuur van populaties, al is verder werk noodzakelijk.'' Desondanks neemt de gewone vergadering van de IWC (niet de wetenschappers maar de regeringsvertegenwoordigers) elk jaar een resolutie aan waarin het er bij de Japanse regering op aandringt om geen vergunningen voor wetenschappelijke vangst af te geven.

Het oorspronkelijke doel van de IWC is ,,bescherming van walvispopulaties en zodoende de ordelijke ontwikkeling van de walvisindustrie mogelijk maken''. Het wetenschappelijke comité van de IWC is zodoende jaren bezig geweest met het opstellen van een methode om veilige vangstlimieten voor commerciële walvisvaart vast te stellen, de zogenoemde Revised Management Procedure. Dit werk is klaar en sinds 1994 buigt men zich over de controle op naleving. Maar het is de vraag of deze procedure ooit in werking zal treden. In februari kwam het wetenschappelijke comité weer bijeen in Monaco en, zoals de slotverklaring stelt, er zijn nog ,,enkele fundamentele meningsverschillen''. De Noorse regering spreekt hardop over ,,vertragingstactieken'' van de tegenstanders van walvisvaart die ingaan tegen het oorspronkelijke doel van de organisatie.

Het probleem is dat `commerciële' walvisvaart in sommige kringen een scheldwoord is, terwijl `de' walvis is verworden tot een heilige koe. Om precies te zijn: het arme beest is een heilige koe voor natuurbeschermers in landen waar walvisvlees nooit op het menu heeft gestaan en die zodoende natuurbeschermer kunnen zijn op andermans kosten. De Noorse regering neemt langzaam maar zeker afstand van de IWC en heeft in 1993 eenzijdig vangstquota voor dwergvinvissen vastgesteld voor zijn walvisvaarders. Als de milieubeweging er in slaagt het oorspronkelijke doel van de IWC te saboteren, als walvisvaart volledig wordt verboden, loopt de IWC op termijn grote kans uit elkaar te vallen. Dan zal de milieubeweging het tegendeel bereiken van bescherming van walvispopulaties. Internationale controle op walvisvaart zal dan ontbreken, de zeeën zullen vogelvrij verklaard zijn en de uiteindelijke slachtoffers zullen juist de walvissen zijn.