Het Witte Huis heeft een nieuwe sheriff

Verbetering van het milieu, toenadering tot NoordKorea, samenwerking met China – als het niet in het belang van de VS is, moet president George W. Bush er niets van hebben.

Er is een nieuwe sheriff in de stad en zijn naam is George W. Bush. En de nieuwe sheriff laat zien wie de baas is in de wereldpolitiek. Dat Texaanse Hollywoodcliché lijkt het buitenlands beleid te typeren van de nieuwe Republikeinse regering in Washington. Gisteren nog verklaarde het Witte Huis dat Amerika niet van plan is het klimaatverdrag van Kyoto uit te voeren. Dit tot ontsteltenis van de Europese landen en Japan, die in 1997 met veel moeite tot afspraken kwamen over het terugbrengen van de uitstoot van broeikasgassen. Tekenend is de argumentatie die Bush daarbij volgt: het verdrag is ,,niet in het belang van de Verenigde Staten''.

Het optreden van de Amerikaanse regering volgt een patroon van opmerkelijke eigenzinnigheid vanaf het moment dat Bush op 20 januari werd geïnstalleerd. Zo gaf Washington halverwege februari opdracht tot het bombarderen van Iraakse luchtafweersystemen in de buurt van Bagdad. De bombardementen mislukten grotendeels en de populariteit van Saddam Hussein in het Midden-Oosten nam alleen maar toe. Maar duidelijk was in elk geval dat het nieuwe Witte Huis via het aanpakken van gebruikelijke staatsvijand nr. één, Saddam Hussein, wilde tonen dat de soft politics van de Clinton-era voorbij zijn.

Veelzeggend was al direct na zijn beëdiging in januari Bush' telegram aan premier Motzfeldt van Groenland. Daarin schreef Bush te hopen op een `vruchtbare samenwerking' ten aanzien van de Amerikaanse luchtmachtbasis in Thule. Het radarstation daar maakt onderdeel uit van het Amerikaanse early warning-systeem en zou in het kader van de eventuele bouw van het omstreden nationaal rakettenschild moeten worden gemoderniseerd. Dus leidde Bush' telegram tot opschudding in de Deense politiek. Oppositiepartijen wezen de Amerikanen er aangebrand op dat Groenland semi-autonoom is en dat dit soort onderwerpen van buitenlands beleid via Kopenhagen loopt.

De Republikeinen, met Bush voorop, hebben er tijdens de verkiezingscampagne afgelopen jaar geen geheim van gemaakt voorstander te zijn van een rakettenschild, hoewel dat zowel door de NAVO-partners in Europa als door Rusland en China wantrouwend wordt bekeken als het begin van een nieuwe wapenwedloop. En hoewel het in strijd is met het ABM-verdrag uit 1972 dat antirakettensystemen verbiedt.

De aanstelling door Bush van Donald H. Rumsfeld tot minister van Defensie was al een aanduiding dat de nieuwe president het rakettenschild tot de kern van zijn veiligheidsbeleid rekent. Rumsfeld was in 1998 voorzitter van de commissie die een National Missile Defense (NMD) propageerde als antwoord op een mogelijke dreiging van `schurkenstaten' als Noord-Korea, Iran en Irak. Kort na zijn aantreden schoffeerde Rumsfeld de Russen met de bewering dat Ruslands rol als ,,actieve verbreider'' van rakettentechnologie (aan `schurkenstaten') het Witte Huis had gestimuleerd om een rakettenschild te ontwikkelen.

Van hetzelfde laken een pak was de belediging van Bush aan het adres van de Zuid-Koreaanse president Kim Dae-jung, begin deze maand. De nieuwe leider van de vrije wereld desavoueerde Kims `zonneschijnbeleid' ten aanzien van Noord-Korea, waarvoor Kim vorig jaar overigens de Nobelprijs voor de Vrede kreeg.

De recente aankondiging dat ongeveer vijftig Russische diplomaten wegens spionage zullen worden uitgewezen, was een volgend teken dat de Bush-mensen het spel hard willen spelen. Sinds het eind van de Koude Oorlog, tien jaar geleden, was er niet meer zo'n fors vertoon geweest van diplomatic cleansing. Ook bleek vorige week dat de regering-Bush de China-politiek geharnaster zal benaderen dan tot nu toe het geval was onder Clinton. De oud-president betitelde China tijdens zijn historisch staatsbezoek in 1998 als ,,onze strategische partner''. Bush ziet China als ,,onze strategische concurrent''.

Het Witte Huis stevent inmiddels af op nieuwe spanningen met China met het voornemen om Taiwan, China's `afvallige provincie', volgende maand moderne wapensystemen te leveren als antwoord op het toenemend aantal raketten die de Volksrepubliek op het eiland heeft gericht. Vice-premier Qian Qichen heeft tijdens zijn bezoek aan Washington vorige week heftig tegen dit voornemen gepleit. Tevergeefs, zoals blijkt uit de woorden afgelopen maandag van generaal Henry Shelton, voorzitter van de Verenigde Chefs van Staven. Hij zei over de ,,vrienden en geallieerden'' in het Grote-Oceaangebied: ,,Amerika gaat ze niet in de steek laten. Sterker nog, we moeten die vriendschappen en verbanden aanmoedigen en onderhouden.'' Shelton voegde nog toe dat de sterkte van de Amerikaanse strijdkrachten op peil moet blijven omdat de Amerikanen ,,altijd moeten optreden vanuit een positie van kracht''.

Het is kennelijk niet de ambitie van de ,,chronisch oorlogszuchtige fractie van de rechtse beleidsgemeenschap'', zoals columnist William Pfaff deze vanochtend omschreef, om de `onoverzichtelijke' rol te spelen van bemiddelaar in conflicten als in Noord-Ierland en het Midden-Oosten. Maar alle voorvallen en uitlatingen van de afgelopen drie maanden geven intussen geen blijk van een strategische langetermijnvisie op het te voeren buitenlandbeleid door de enig overgebleven supermacht in de wereld. Het Pentagon en het State Department zijn hierover bovendien gewikkeld in een onderlinge strijd waarbij minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell voorstander is van een gematigde lijn in tegenstelling tot de haviken in de National Security Council. De enige die het gezag heeft duidelijkheid te scheppen is de president zelf.