Europa kan burger niet uitdagen

Een debat over de toekomst van Europa kan alleen van de grond komen als het gaat over zaken die de burger raken. Dat is nu nauwelijks het geval, meent Alfred Pijpers.

Het koor van commentatoren en politici dat in Nederland pleit voor een `grand debat' over de toekomst (de `finaliteit') van de Europese Unie zwelt aan. Maar de regering houdt zich praktisch doof. Minister van Aartsen van Buitenlandse Zaken had vorig jaar al zeer terughoudend (zeg maar afwijzend) gereageerd op de inmiddels befaamde rede van zijn Duitse collega Joschka Fischer over de federale toekomst van de Unie. Op eerder deze maand herhaalde hij dit standpunt tijdens een toespraak in Den Haag: burgers zijn niet geïnteresseerd in federale vergezichten, maar in concreet Europees beleid op gebieden als werkgelegenheid, voedselveiligheid, of asielverlening. Staatssecretaris Benschop, anders toch niet wars van Europese ideeën, deed daar onlangs (NRC Handelsblad, 20 maart) nog eens een schepje bovenop door te stellen dat een finaliteitsdebat `absurd' is. Heldring verwijt Van Aartsen een werkelijk debat te ontlopen (NRC Handelsblad, 15 maart).

Hoe komt het dat er in Nederland (trouwens ook in de meeste andere lidstaten) geen echt `Europadebat' wordt gevoerd ?

Allereerst omdat de politieke macht van de Europese Unie in veel opzichten nog steeds beperkt is, en haar gezagsstructuur uitermate diffuus. Het overgrote deel van de Europese regelgeving bestaat uit nogal technische voorschriften op gebieden als handel, landbouw en milieu.

Voor de desbetreffende sectoren en belangengroepen hebben ze grote gevolgen, en daar zien we, zeker in tijden van crisis, ook de nodige politieke beroering. Boze boeren, vissers, natuurbeschermers, en consumenten vormen vaak een levend bewijs van de stelling dat doortastende Brusselse besluiten vanzelf maatschappelijke respons oproepen.

Op veel gebieden die de burger rechtstreeks raken, zoals de kwaliteit van het onderwijs, de medische zorg, de ruimtelijke ordening, de volkshuisvesting, of de sociale zekerheid, heeft de EU echter nauwelijks zeggenschap. Verstrekkende beslissingen over woningbouw, wegenaanleg, de filebestrijding, de uitbreiding van Schiphol, de veiligheid op straat, de beschikbaarheid van kinderopvang, of de euthanasie worden in politieke zin praktisch geheel autonoom in en door Den Haag genomen. En zo wordt dat door veel burgers – terecht – ook geapprecieerd.

Op de klassieke gebieden van de staatsmacht (belasting, politie, leger) verricht de EU tot nu toe nauwelijks handelingen van belang, en daar komt voorlopig weinig verandering in, alle fraaie voornemens op bijvoorbeeld het gebied van defensie ten spijt. Het is maar zeer de vraag of de invoering van de euro het `Europese bewustzijn' van de burgers zal verruimen. Daar is tot nu toe weinig van te merken. Er is wel een Europese economische ruimte, maar nauwelijks een Europese politieke ruimte.

Politiek engagement, intellectueel debat, en maatschappelijke twisten, gedijen echter alleen in een omgeving waar machthebbers voor de burger ingrijpende, in moreel opzicht controversiële besluiten nemen. Dat kunnen de Europese instellingen niet of nauwelijks. Hoe komt het dat er geen brede maatschappelijke discussie heeft plaatsgevonden rondom het Handvest voor de fundamentele rechten, dat in december plechtig op de EU-top van Nice werd ondertekend, en dat door zijn onderwerp toch een enorme weerklank had moeten ondervinden bij het Europese publiek ? Dat komt omdat er in Brussel nauwelijks een instantie is die deze rechten daadwerkelijk zou kunnen schenden.

Dat voert tot een tweede reden voor de afwezigheid van een diepgaand Europadebat: de Europese integratie heeft eigenlijk nooit inbreuk heeft gemaakt op fundamentele Nederlandse waarden en tradities. Die zijn in de loop der jaren wel veranderd of aangetast, maar grotendeels als gevolg van technische vooruitgang, modernisering en welvaartsgroei, ontwikkelingen die in open samenlevingen ook zonder Europese regels doorwerken.

Trouwens, zeker in het Nederlandse geval zijn de grote veranderingen op materieel (landschap, natuur, dijken, verstedelijking) of immaterieel (bijvoorbeeld medisch-ethisch) gebied door eigen toedoen teweeg gebracht, buiten noemenswaardige bemoeienis van Brussel om. De regering schrijft in De Staat van de EU 2001 dat ,,de nationale staat nog steeds het kader bij uitstek vormt waarbinnen de democratie gestalte krijgt''. Dus waarom zou de Nederlandse burger zich dan druk moeten maken over de Europese Unie ?

Een derde beperking schuilt in de Europese politieke realiteit. In Nice hebben de regeringsleiders afgesproken na te denken over een optimale verdeling van Europese en nationale bevoegdheden: de befaamde Kompetenzkatalog. De bedoeling is daarover een brede maatschappelijke discussie in Europa te entameren. Dat lijkt dus perspectief te bieden.

De realiteit is echter anders. Vooral de Duitse Länder zijn beducht voor een gestage uitholling van hun bevoegdheden bij de achtereenvolgende Europese verdragsherzieningen. Zij willen bij de volgende ronde een afbakening van de Europese bevoegdheden bewerkstelligen, niet een verruiming. Ook verscheidene Scandinavische landen en het Verenigd Koninkrijk zullen de post-Nice agenda niet zozeer aangrijpen voor vormgeving van de toekomst, als wel voor consolidatie en begrenzing van het verleden. Hoe zouden de lidstaten tot overeenstemming kunnen komen over een toekomstige Europese grondwet, president, senaat, of bevoegdheden-catalogus, wanneer de regeringsleiders jarenlang moeten bakkeleien over zoiets simpels als de omvang van de Europese Commissie? Het is niet zo gek van de Nederlandse bewindslieden om met deze realiteit rekening te houden. Wie toch een zinvol en interessant debat wil moet zich concentreren op een tweetal vraagstukken:

Welke ontwikkelingen in de nationale en internationele samenleving dwingen welhaast onontkoombaar tot een verdere overdracht van bevoegdheden?

En gaat de Europese Unie in de (nabije) toekomst fundamentele Nederlandse waarden, tradities, en instellingen aantasten ?

Alfred Pijpers is verbonden aan het Instituut Clingendael in Den Haag.