De vistrawler is een fabriek op het water

Opa had eelt op de handen van het kaken. Maar bij kleinzoon Cor Vrolijk komt de vis in kartonnen dozen van het schip af.

IN HET KANTOOR VAN de Visserijmaatschappij Vrolijk in IJmuiden kijken drie generaties aan de muur hem op zijn vingers. Cor Vrolijk bestiert zijn vis- en handelsonderneming in vooral diepgevroren haring, makreel en horsmakreel vanuit zijn bureaustoel. Hij is de vierde generatie Vrolijk die in de vis zit, maar eelt op de handen van het kaken heeft hij niet. Hij ziet de vis in de vrieshuizen aan de IJmuidense Strandweg vooral in dozen voorbijkomen.

Het internationale vis- en exportbedrijf Vrolijk dat met vriestrawlers jaarlijks 160.000 ton vis uit de internationale wateren haalt, vriest de vangst direct in, verpakt de vis op volle zee in kartonnen dozen en exporteert deze via een wereldwijd netwerk van vrieshuizen naar zeker zeventig landen. De jaaromzet behelst al gauw een slordige 200 miljoen gulden, vertelt Cor Vrolijk.

Hinder van het onlangs uitgevaardigde vangstverbod op kabeljauw op de Noordzee, waarmee de Nederlandse kottervissers kampen, heeft Vrolijk niet. Hij vist nauwelijks nog op de Noordzee. De trawler Cornelis Vrolijk, die deze week de haringhaven van IJmuiden binnen is komen stomen, is net terug van een reis op de Atlantische Oceaan, waar ten westen van Ierland vele tonnen horsmakreel gevangen zijn. De trawler Scrombus, ook net terug, wordt vandaag met heftrucks leeggeruimd. Op pallets verdwijnt de lading makreel linea recta de vrieshuizen in.

Het tegenwoordige miljoenenbedrijf van reder Vrolijk heeft nog maar weinig gemeen met de vroegere haringhandel van zijn overgrootvader Frank Vrolijk. Deze kocht honderdtwintig jaar geleden haring, tong, schol, kabeljauw en schelvis van de vissersschuiten, die toen nog met paarden het Scheveningse strand opgetrokken werden, waar ter plekke de visafslag plaatshad. De oude Vrolijk schafte later een aantal boten aan en ging de vis zelf vangen. Vooral maatjesharing, maar ook de zogenoemde verse vis: kabeljauw, schelvis en schol uit de Noordzee. De vis werd gegeten in Nederland, Duitsland, Polen en Rusland.

Dat was nog steeds zo geweest als Cor Vrolijk zich niet genoodzaakt had gezien uit te wijken naar verre zeeën. Het verbod op de haringvangst in de Noordzee van 1977 tot 1983 vormde de aanleiding, zegt hij. Vrolijk ging zich toeleggen op zogeheten pelagische vis, goedkopere soorten vis die in scholen zwemmen: makreel, horsmakreel, blauwe wijting en sardientjes bijvoorbeeld. Zijn schepen moesten er de Atlantische Oceaan voor op en voeren naar de West-Afrikaanse wateren voor de kust van Mauritanië en Marokko.

,,In Europa was maar een kleine markt voor deze goedkope vis'', zegt Vrolijk. ,,Hier wordt vooral tong, schol en kabeljauw gegeten. Dus ging ik zoeken naar nieuwe afzetgebieden – voor haring was dat nooit nodig geweest. We vonden klanten in Nigeria en in Egypte, waar de vis een belangrijke voedingsbron van eiwit werd. Later kwamen daar Ghana, de Ivoorkust, Zaïre en Kameroen bij. Toen bleek ineens dat dezelfde horsmakreel die wij vingen, ook in Japan veel gegeten werd. Zo gingen we stap voor stap de wereld over.''

Vrolijk zit tegenwoordig in een export- en marketingcombinatie met drie andere grote Nederlandse rederijen: Parlevliet & Van de Plas in Katwijk en Jaczon (Jacob van der Zwan en zonen) en W. van der Zwan uit Scheveningen. Als The Group proberen de bedrijven samen nieuwe afzetmarkten te vinden en visrechten te verwerven. Zo sloten de bedrijven een akkoord over de vangst van sardinela's voor de kust van Mauritanië.

Dat stuitte op kritiek van milieu-organisatie Greenpeace, die van mening is dat de reders na de noordelijke wateren te hebben leeggevist zich nu schuldig dreigden te maken aan overbevissing van de Afrikaanse wateren. ,,Onzin'', zegt Vrolijk. ,,Wij houden ons strikt aan het quotaregime en we zijn gevraagd de Mauritaniërs te komen helpen. De Russische, Roemeense en andere Oost-Europese trawlers die er visten, moesten na de ineenstorting van Oost-Europa vertrekken. Mauritanië beschikt zelf niet over het vereiste materiaal om de vis uit zee te halen, dus doen wij dat voor hen in ruil voor een financiële compensatie.''

De firma Vrolijk heeft zeven trawlers, die behalve onder Nederlandse, ook onder Franse en Britse vlag varen. Dat laatste wegens de quotaverdeling. Engeland en Frankrijk visten de hun toebedeelde quota niet volledig op, aldus Vrolijk. Zijn schepen zijn tachtig tot honderdveertig meter lang en uitgerust met speciale vriesinstallaties om de vis vers te houden. Totale kosten: zo'n 100 miljoen gulden.

Aan boord heerst de bedrijvigheid van een fabriek. De vis wordt met in de waterkolom zwevende trawlnetten achter het schip gevangen, op een lopende band gesorteerd en afgevoerd naar de vriescompartimenten in het benedenruim, waar de diepgevroren vis in kartonnen dozen gaat. De lading wordt vervolgens verscheept naar pakhuizen in Las Palmas en IJmuiden, waar de vis verder wordt gedistribueerd.

Zeker 90 procent van Vrolijks vis wordt geëxporteerd. Meestal als onbewerkte vis. Anders dan in de platvissector, waar veel bedrijven zich steeds meer toeleggen op de bewerking van vis tot voorverpakte scholletjes met saus, luxe zalmtournedos in bladerdeeg, graatloze filets of andere specialiteiten, wordt de pelagische vis onbewerkt verkocht. ,,Filets zijn voor Afrikaanse landen te duur'', aldus Vrolijk. ,,Afrikanen willen trouwens ook gewoon vissen met kop en staart. Op de Filippijnen wordt de vis wel in moten gesneden en lokaal ingeblikt. Japan wil vooral filets. De horsmakreel wordt er gedroogd en gerookt tot de zogeheten butterflies, die Japanners graag eten.''