De muis Mathilde

Als mijn moeder 's avonds zat te lezen kwam de muis Mathilde tevoorschijn. Mijn moeder is dood. Maar Mathilde zag ik onlangs terug in het huis van mijn zuster in Amsterdam. Alsof ze nooit weg was geweest. We zaten aan tafel te praten. En ik zag haar. Ze kwam voorzichtig onder de bank vandaan. Haar piepkleine lijfje rende behendig heen en weer. Dat deed Mathilde ook. Je wist niet waarom ze kwam. Waar ze heen ging was ook een raadsel.

Mijn moeder was bang voor muizen, maar voor Mathilde had ze een zwak. Die hoefde niet bang te zijn voor de verdrinkingsdood in een emmer water. Dat overkwam de muis die verdwaald in het kussen van mijn zuster rondrende. Ik was de man in huis. De emmer water werd klaargezet. En ik moest de muis daarin doen. Ik heb het nooit begrepen. Ik was te klein.

Ik had na dat voorval zelf een muis gekocht voor twee kwartjes. Wekenlang gewacht voordat ik de moeilijke beslissing nam. Ik wou mijn eigen muis. Iets van me zelf om voor te zorgen. Mijn eigen vriendje.

Als ik haar maar in een schoenendoos onder mijn bed hield zou mijn moeder niets merken. Ik hield de deur van mijn kamertje dicht en het muisje wandelde frank en vrij rond. Ze was wit. Ik ontdekte dat ze heel behendig kon klimmen met die piepkleine handjes en voetjes. We hadden het gezellig samen. Ik was niet meer zo alleen. Het was gezellig in mijn kamertje als ik thuiskwam van die rotschool. Dan ging de deksel van de schoenendoos en kwam ze tevoorschijn.

Alle mooie dingen eindigen in lelijkheid. Bij mij ging het niet anders. De deur van mijn kamertje stond open toen ik thuiskwam van school. Mijn vriendje liep in de gang. Mijn moeder wachtte me woedend op. Ze was niet voor rede vatbaar. Die muis moest het huis uit. ,,Onmiddellijk.''

Het kon geen dag wachten.

Waar moest ik heen?

Kon haar niet schelen.

De dierenwinkel is vandaag dicht.

Kon haar niet schelen.

Kan het niet wachten tot na het weekend?

,,Nee!''

Ik stopte mijn geluk in de schoenendoos en sloot de deksel. Het was winter. Ik slofte door de smeltende sneeuw. Waar moest ik heen? Niemand die het wist. Ik liep met de doos onder mijn armen van de ene straat naar de andere. Het was donker geworden. In de huiskamers ging het licht aan. Ik keek naar binnen. Overal woonden aardige mensen. Niemand was zo wreed als mijn moeder. Uit alle huiskamers straalde gezelligheid. Woonde ik maar in zo'n gelukkig gezin. Ik was realistisch genoeg om in te zien dat zulk geluk voor mij niet was weggelegd. Zelfs een muizenvriendje was mij niet gegund. Ik zou me wel redden. Maar het muisje in mijn schoenendoos had minder kansen. Ik moest zorgen dat hij goed terecht zou komen. Het was niet eenvoudig om de gezelligste huiskamer uit te zoeken. Het muisje krabbelde ongeduldig in zijn doos. Ik kon niet eindeloos in een kringetje rond blijven lopen door steeds dezelfde straten. Met de doos op schoot ging ik in een portiek zitten. Ik stelde het afscheid zo lang mogelijk uit. Het muisje keek me vragend aan.

Voor de laatste keer bekeek ik zijn fijne pootjes met de kleine handjes. Hij was zo mooi. Hij was alles wat ik had. Ik haatte mijn school waar ik zo vaak moest vechten, ik haatte mijn wrede moeder. Hij zat in mijn hand. Hij voelde zich veilig. Ik stond op met het muisje in mijn hand, de schoenendoos bleef staan. Nu was er geen weg meer terug.

De eerste gezellige huiskamer die ik tegenkwam zou de zijne worden. Ik deed de brievenbus open. Het muisje klom gewillig naar binnen. Dag muisje.

Ik wandelde weg. Mijn voeten waren koud in mijn lekke schoenen. Thuis sloot ik me op in mijn kamertje. Ik zei geen woord meer.

Ik moest maar steeds denken hoe blij die mensen waren met dat mooie muisje dat zomaar in hun leven was gekomen.