BOMMEN ALS BIJVANGST

In de Tweede Wereldoorlog konden piloten van geallieerde bommenwerpers hun doelen in Duitsland niet altijd vinden. Omdat zij niet met hun lading bommen op de Britse vliegvelden mochten landen, gooiden de oorlogsvliegers hun vracht boven de Noordzee af. Af en toe belanden bommen of gedumpte granaten in de netten van de vissers. Om het risico dat deze munitie voor de visserij betekent te beperken, reikt het ministerie van Verkeer en Waterstaat een beloning uit aan vissers die meewerken aan het opruimen ervan.

Wanneer een bom in de netten is aangetroffen moet via de radio onmiddellijk de Kustwacht of de Koninklijke Marine worden gewaarschuwd. Deze komen dan zo snel mogelijk te hulp om het explosief over te nemen of ter plekke onschadelijk te maken. Voordat de autoriteiten zijn gearriveerd, moet het opgeviste gevaarlijke spul tegen de reling worden gestut en worden nat gehouden. Roken is dan verboden. Als beloning hiervoor – de tijdrovende tussenkomst van de overheid leidt tot het derven van inkomsten – krijgen de vissers voor het eerste stuk munitie 400 gulden en voor ieder volgend explosief nog eens 100 gulden. Om te verhinderen dat vissers zich toeleggen op louter het vinden van bommen, wordt per jaar, per boot maar vijfduizend gulden uitgekeerd. Per jaar is voor de Nederlandse visserijvloot hiervoor een bedrag van honderdduizend gulden gereserveerd.