Betoverende stilte als bron van wijsheid

,,Hier staat hij mooi op, met dat lange haar'', zegt mevrouw Van Dam. Trots wijst ze naar een van de vele portretten van Baruch de Spinoza in het oude daglonershuisje waar de filosoof tussen 1661 en 1663 heeft gewoond. Al zo'n halve eeuw is ze er de beheerder en sinds de dood van haar man, acht jaar geleden, geldt ze als de enige officiële bewoner.

,,Ik woon hier voor niets,'' zegt ze, ,,als ik er maar voor zorg dat ik iedere dag tussen tien en twaalf en tussen twee en vier thuis ben om bezoekers te ontvangen.''

Die bezoekers hebben het niet makkelijk als ze op de Spinozalaan uit de bus stappen en door de chauffeur naar een troosteloze nieuwbouwwijk uit de jaren zestig worden gedirigeerd. Uit niets is op te maken waar het internationale middelpunt voor de studie van Spinoza's leer en leven zich precies bevindt. Pas na een kwartier tussen de monotone flatgebouwen en eengezinswoningen te hebben gedwaald, duikt het 17de-eeuwse huisje ineens op, nog net niet weggedrukt door de lelijke nieuwbouw. Het is bijna een postume belediging voor een wijsgeer, wiens ideeën de Nederlandse samenleving drieënhalve eeuw na hun conceptie alsnog zou moeten aanhangen om de huidige plagen te kunnen bestrijden.

Toch trekt het Spinozahuisje jaarlijks maar zo'n zeshonderd bezoekers, waarvan er tweehonderd uit het buitenland komen. Het zijn voornamelijk bewonderaars, die de dagelijkse omgeving van hun held willen proeven of er komen studeren. Het gastenboek meldt de komst van tal van beroemdheden, zoals in 1920 die van Albert Einstein. Ironisch genoeg staan er ook de namen in van de joodse vrouw en haar dochter, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het huisje waren onderdoken.

Pas eind negentiende eeuw ontdekte men waar Spinoza precies in Rijnsburg had gewoond, toen een notitie werd gevonden van een 18de-eeuwse Amsterdamse chirurg. Hierin stond dat het bewuste huis een gevelsteen had met enkele dichtregels van de 17de-eeuwse dichter Dirck R. Camphuysen: `Ach! Waren alle Menschen wijs,/ En wilden daarbij wel!/ De Aard waar haar een Paradijs,/ Nu isse meest een hel.' Het huisje werd aangekocht door een schare bewonderaars, die de Vereniging Het Spinozahuis oprichtte en het in 1899 als museum voor het publiek openstelde. Dankzij een boedelbeschrijving van alle bezittingen die Spinoza bij zijn dood in 1677 had, kon diens bibliotheek worden gereconstrueerd, die een unieke verzameling boeken bevatte met onder meer werken van Hobbes, Machiavelli, Erasmus en Descartes. Verder hangen er verschillende portretten van Spinoza en staat een tafel met een lessenaar erop. In een zijkamertje bevindt zich een kopie van de werkbank voor het slijpen van lenzen, waarmee de wijsgeer in zijn levensonderhoud heeft voorzien. ,,En daar is koningin Juliana'', zegt een nog veel trotsere mevrouw Van Dam als ik mijn blik over de kleine vitrine laat glijden, waarin aan de hand van foto's en documenten de geschiedenis van het huisje wordt verteld.

Het licht dat door de kleine glas-in-loodramen naar binnen valt maakt van de bibliotheek bijna een schilderij van Gabriël Metsu of Johannes Vermeer, waarop een verstilde wereld is weergegeven. Menno ter Braak, die in mei 1935 in Rijnsburg was, ervoer het volgens zijn verslag in het dagblad Het Vaderland net zo: ,,Een lage, kleine kamer, waarin de zon viel door kleine ramen. (...) En verder niets dan zon en stilte, zo intens, dat men niet weet, of men er wel kan blijven staan; intense stilte noopt tot zitten.'' In de zesenzestig jaar die inmiddels zijn voorbijgegaan is er wat dat betreft niets veranderd. Dat geldt ook voor de bereikbaarheid van het huisje, want zelfs Ter Braak had moeite het te vinden, zo afgelegen lag het in die tijd.

Ter Braak merkte in zijn verslag ook op dat de stilte waarin Spinoza zich had teruggetrokken voor een groot deel een gedwongen stilte was. De in 1632 geboren Spinoza, zoon van een rijke joodse koopman die in 1593 uit Portugal naar het tolerante Amsterdam vluchtte, was op zijn drieëntwintigste door het rabbijnencollege geëxcommuniceerd wegens zijn afwijkende geloofsopvattingen. Zo had hij de onsterfelijkheid van de ziel en het bestaan van God ter discussie gesteld. Het was een revolutionaire daad, die hem op jonge leeftijd behalve de wrok van zijn geloofsgenoten ook internationale roem opleverde.

Maar aan de andere kant is die stilte ook essentieel voor Spinoza's manier van denken. Want in stilte en afzondering van de banaliteit van het dagelijks bestaan, probeerde hij een eenvoudig en zuiver leven te leiden, waarin zijn onafhankelijke gedachten over de positie van het individu ten opzichte van het hoogste religieuze- en staatsgezag goed konden gedijen. Niet toevallig koos de wijsgeer voor het kleine Rijnsburg, dat in die tijd hoofdkwartier was van de vrijzinnig protestante sekte van de Collegianten. Hij waande zich er veilig voor alle verontwaardigde predikanten en rabbijnen die hem van godslastering beschuldigden.

Nu hoeven we ons niet meer druk te maken over de door Spinoza bepleite religieuze tolerantie, want die is in Nederland zo onderhand min of meer een feit. Maar zijn maatschappelijke ideeën, die hij deels in Rijnsburg ontwikkelde, zijn nog steeds de moeite van het bestuderen waard. Ze hebben zelfs niets van hun moderne karakter verloren. Zo is Spinoza's ideale staat er een waarin iedereen – van machthebbers tot het gewone volk – in harmonie met elkaar leeft, zich aan de wetten houdt en respect voor elkaar heeft. Alleen zo kan volgens hem maatschappelijke stabiliteit worden bereikt. En juist die stabiliteit is in het huidige Nederland, met zijn crises binnen de agrarische sector, de gezondheidszorg, het openbaar vervoer, het onderwijs en het handhaven van de openbare veiligheid ver te zoeken. Alleen daarom al zou het Spinozahuis met zijn betoverende stilte tijdelijk onderdak moeten bieden aan iedereen die zich verantwoordelijk voor de samenleving voelt. Want intense stilte noopt niet alleen tot zitten, maar ook tot nadenken. En dat is iets waaraan Nederland dringend behoefte lijkt te hebben. Ach! Waren alle mensen wijs.